Hof van Cassatie

Rubriek Rechtspraak
Auteur(s) Floris Parrein
Editie 20/1   p. 75-81
Publicatiedatum 15 februari 2020
Rechtbank/Hof Cass.


Hof van Cassatie


9 september 2019 - 3de Kamer - C.18.0488.N
Voorzitter : E. Dirix
Raadsheren : A. Smetryns, K. Mestdagh, A. Lievens en K. Moens
Advocaten : P. Vanlersberghe en P. Lefebvre


1. GESCHILLENREGELING - UITSLUITING - GEGRONDE REDEN - VOLDOENDE ERNSTIGE EN DUURZAME ONENIGHEID

2. GESCHILLENREGELING - UITSLUITING - GARANTIES VOOR HET VOORTBESTAAN VAN DE VENNOOTSCHAP

1. De uitsluiting kan worden bevolen in geval van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten die het voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengt of dreigt te brengen. De gegronde reden voor de uitsluiting hoeft bijgevolg niet noodzakelijk te bestaan uit een foutief of onrechtmatig gedrag dat aan een van de vennoten kan worden toegerekend.

2. Wanneer een vordering tot uitsluiting wordt beantwoord met een tegenvordering tot uitsluiting en de rechter het bestaan vaststelt van een gegronde reden tot uitsluiting die niet bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag, dan dient hij na te gaan in het belang van de vennootschap, welke partij de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap.


1. RÈGLEMENT DES CONFLITS - EXCLUSION - JUSTES MOTIFS - MÉSINTELLIGENCE SUFFISAMMENT GRAVE ET DURABLE

2. RÈGLEMENT DES CONFLITS - EXCLUSION - GARANTIES POUR LA CONTINUITÉ DE L'ENTREPRISE

1. L'exclusion peut être prononcée en cas de mésintelligence suffisamment grave et durable entre les associés qui met ou menace de mettre en danger la continuité de la société. Par conséquent, le motif fondé de l'exclusion ne doit pas nécessairement consister en un comportement fautif ou illégal imputable à l'un des associés.

2. Lorsqu'une demande d'exclusion fait l'objet d'une demande reconventionnelle d'exclusion et qu'il établit l'existence d'un motif d'exclusion fondé qui ne consiste pas en un comportement fautif ou illégal, le tribunal doit examiner, dans l'intérêt de la société, quelle partie offre les meilleures garanties pour le maintien en activité de la société.


Martine t./ Eric in aanwezigheid van E.P. Huurwagens bvba

[...]

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. In hoger beroep vorderde de eiseres de uitsluiting van de verweerder als vennoot van E.P. Huurwagens bvba en voerde daarbij aan dat er gegronde redenen tot uitsluiting van de verweerder bestonden.

De verweerder vorderde de integrale bevestiging van het beroepen vonnis dat de eiseres uit deze vennootschap uitsloot.

Hieruit vloeit voort dat de partijen in het geding het eens waren over het bestaan van gegronde redenen tot uitsluiting uit de vennootschap van hetzij de eiseres, hetzij de verweerder, en dat de betwisting bijgevolg enkel betrekking had op de vraag wie van beide partijen diende te worden uitgesloten.

Door te oordelen dat "in hoger beroep geen der partijen dat oordeel van de eerste rechter aanvecht", te weten dat "er gegronde redenen aanwezig zijn tot uitsluiting", en dat "de betwisting in hoger beroep (...) enkel betrekking [heeft] op de vraag wie van beide vennoten moet worden uitgesloten", geven de appelrechters van de beroepsakte en de appelconclusie van de eiseres een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.


Tweede onderdeel

2. Krachtens artikel 334, eerste lid Wetboek van Vennootschappen kunnen één of meer vennoten die gezamenlijk aandelen bezitten die 30 procent vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of aandelen waarvan de nominale waarde of de fractiewaarde 30 procent van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigt, om gegronde redenen in rechte vorderen dat een vennoot hen zijn aandelen overdraagt.

3. De uitsluiting strekt ertoe de geschillen te regelen die de fundamentele belangen van de vennootschap of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen of, meer algemeen, de gevallen van ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten op te lossen.

De uitsluiting kan worden bevolen in geval van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten die het voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengt of dreigt te brengen. De gegronde reden voor de uitsluiting hoeft bijgevolg niet noodzakelijk te bestaan uit een foutief of onrechtmatig gedrag dat aan een van de vennoten kan worden toegerekend.

Wanneer een vordering tot uitsluiting wordt beantwoord met een tegenvordering tot uitsluiting en de rechter het bestaan vaststelt van een gegronde reden tot uitsluiting die niet bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag, dan dient hij na te gaan in het belang van de vennootschap, welke partij de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap.

4. De appelrechters stellen vast dat "er een diepgaande onenigheid bestaat tussen partijen ook als vennoten". Zonder dat zij dienden te onderzoeken of deze onenigheid al dan niet te wijten is aan het gedrag van de verweerder of aan dat van de eiseres, vermochten zij te oordelen dat "de eerste rechter terecht [heeft] beslist dat het in het belang van de vennootschap is dat de aandelen worden toegewezen aan [de verweerder]".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.


Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

[...]


Noot

Wederzijdse vorderingen tot uitsluiting : wie biedt de meeste garanties voor het voortbestaan van de vennootschap ?

1. Relevante feiten. Een koppel richt in 1997 een BVBA op, waarvan elke partner de helft van de aandelen aanhoudt. De echtgenoot wordt benoemd tot statutair zaakvoerder, terwijl zijn echtgenote wordt benoemd tot gewoon zaakvoerder.

In de loop van 2016 stellen de vennoten wederzijdse vorderingen tot uitsluiting in.

De voorzitter van de rechtbank van koophandel verklaart de door de man ingestelde vordering gegrond en veroordeelt zijn echtgenote tot de overdracht van haar aandelen.

Het door haar ingestelde hoger beroep wordt door het hof van beroep te Antwerpen ongegrond verklaard. De eerste rechter kon zich volgens de appelrechters steunen op het feitelijk gegeven dat de eenmanszaak die in de BVBA werd ingebracht uitsluitend toebehoorde aan de echtgenoot. Dat gegeven kan volgens de appelrechters ook niet los worden gezien van het feit dat hij als statutair zaakvoerder werd aangesteld, zodat zijn betrokkenheid bij de vennootschap statutair verankerd werd. Die situatie is onveranderd gebleven en stemt ook overeen met het gegeven dat de man over de vervoersvergunning beschikt die nodig is om dat deel van de bedrijvigheid legaal uit te oefenen. Hij beschikt volgens het hof van beroep over alle nodige capaciteiten en mogelijkheden om de onderneming naar behoren te leiden. Het is dan ook, volgens de appelrechters, in het belang van de vennootschap dat de aandelen aan hem worden overgedragen.

In haar cassatieberoep voert de echtgenote aan dat de gegronde redenen die voorhanden moeten zijn opdat een vordering tot uitsluiting kan worden ingewilligd, noodzakelijkerwijs verband moeten houden met de gedraging van de verwerende aandeelhouder. De eiser moet bewijzen dat diens gedragingen het vennootschapsbelang schaden en dat deze toestand enkel kan worden beëindigd door zijn uitsluiting. Bovendien moet blijken dat de gegronde redenen van die aard zijn dat het behouden in de vennootschap van de verwerende aandeelhouder de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt. Dat geldt volgens de eiseres evenzeer wanneer er sprake is van wederzijdse vorderingen tot uitsluiting. Uiteindelijk kan immers slechts één van beide vorderingen worden ingewilligd en bovendien zegt niets dat beide vorderingen op dezelfde gronden gestoeld zijn. Op die manier komt de eiseres tot de kern van haar cassatiemiddel : is er sprake van een duurzame onenigheid tussen de vennoten, dan moet de rechter vooreerst onderzoeken of deze onenigheid aan de verweerder is toe te rekenen dan wel door de eiser uitgelokt in welk geval diens vordering tot uitsluiting niet zal kunnen worden toegewezen. Volgens de eiseres heeft het hof van beroep dit nagelaten.

2. In het geannoteerde arrest oordeelt het Hof van Cassatie op de eerste plaats dat de uitsluiting ertoe strekt de geschillen te regelen die de fundamentele belangen van de vennootschap of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen, of, meer algemeen, de gevallen van ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten op te lossen. De uitsluiting kan volgens het Hof worden bevolen in geval van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten die het voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengt of dreigt te brengen. De gegronde reden voor de uitsluiting hoeft bijgevolg niet noodzakelijk te bestaan uit een foutief of onrechtmatig gedrag dat aan een van de vennoten kan worden toegerekend. Het Hof benadrukt ten slotte dat wanneer een vordering tot uitsluiting wordt beantwoord met een tegenvordering tot uitsluiting en de rechter het bestaan vaststelt van een gegronde reden tot uitsluiting die niet bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag, hij dient na te gaan in het belang van de vennootschap, welke partij de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap.

De appelrechters hadden een diepgaande onenigheid tussen de partijen vastgesteld. Zonder dat zij dienden te onderzoeken aan wiens gedrag deze onenigheid te wijten is, konden zij oordelen dat het in het belang van de vennootschap was de aandelen aan de echtgenoot toe te wijzen. Het Hof verwerpt het cassatieberoep.

3. Traditionele invulling van het begrip "gegronde redenen". Zowel de vordering tot uitsluiting als de vordering tot uittreding vereisen het bewijs van een gegronde reden(1).

Traditioneel wordt verdedigd dat de invulling van die gegronde reden verschilt naargelang het gaat om een vordering tot uitsluiting, dan wel tot uittreding. Bij de uitsluiting zou meer rekening worden gehouden met het vennootschapsbelang, terwijl bij de uittreding het belang van de individuele vennoten doorweegt, aangezien deze procedure een meer sanctionerend karakter zou hebben ten aanzien van onrechtmatige handelingen van de verwerende partij. Aangezien de uitsluiting neerkomt op een private onteigening en dus ingrijpender zou zijn dan de vordering tot uittreding, zou de lat ook hoger liggen bij de uitsluiting wat de invulling van de gegronde redenen betreft(2).

Dat bij de uitsluiting veeleer rekening wordt gehouden met het vennootschapsbelang, werd bevestigd door het Hof van Cassatie. In een arrest van 21 maart 2014 oordeelde het Hof dat de gegronde redenen in het kader van een vordering tot uitsluiting van die aard moeten zijn dat het behouden in de vennootschap van de aandeelhouder van wie de uitsluiting wordt gevorderd, de fundamentele belangen of de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt(3).

4. Ernstige en duurzame onenigheid tussen de aandeelhouders. In de praktijk wordt vastgesteld dat de concrete invulling van het begrip "gegronde redenen" nauwelijks verschilt naargelang de aard van de procedure. Rechtspraak geeft meer en meer de voorkeur aan de "ernstige en duurzame onenigheid" als gegronde reden, zowel bij de vordering tot uittreding als de vordering tot uitsluiting(4). De schuldloze echtscheiding is ook in het vennootschapsrecht de norm geworden.

Deze tendens wordt bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

In een arrest van 19 februari 2009 oordeelde het Hof dat de vordering tot uittreding tot doel heeft conflictsituaties op te lossen die het vennootschapsbelang of de ondernemingscontinuïteit in gevaar brengen, of, meer algemeen, situaties van ernstige onenigheid tussen de vennoten op te lossen. Verder preciseerde het Hof dat de vordering tot uittreding geen bewijs van fout vereist in hoofde van de verwerende aandeelhouders(5).

In een arrest van 16 maart 2009, eveneens m.b.t. de vordering tot uittreding, herhaalde het Hof dat de gegronde redenen van dien aard moeten zijn dat van de vennoot die de overname van zijn aandelen vordert in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij nog langer vennoot blijft. Dit impliceert echter niet dat steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging vereist is, die specifiek toerekenbaar is aan de verwerende vennoot, en waaraan de eisende vennoot vreemd is(6).

De omstandigheid dat het Hof in het arrest van 19 februari 2009 ook voor de vordering tot uittreding verwijst naar het bestaan van een objectieve conflictsituatie die het vennootschapsbelang bedreigt, wat neerkomt op de klassieke omschrijving van de gegronde redenen in het kader van een vordering tot uitsluiting, bevestigt dat het onderscheid tussen beide vorderingen vervaagt(7). Voor geen van beide vorderingen is nog een foutieve of onrechtmatige gedraging van de verweerder vereist(8).

5. Vereiste van toerekenbaarheid. Ook al wordt aanvaard dat de aandeelhouder die een vordering tot uitsluiting of uittreding instelt, geen fout in hoofde van de verweerder moet bewijzen, dan nog is de vraag of de gegronde redenen minstens aan hem "toerekenbaar" moeten zijn.

Met betrekking tot de vordering tot uittreding bepaalt de wetgever dat deze kan worden ingesteld tegen de vennoten of aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking hebben(9). Daaruit werd afgeleid dat de gegronde reden in het kader van de vordering tot uittreding op de een of andere manier aan de verweerder moet kunnen worden toegerekend(10). Zulke vereiste van toerekenbaarheid werd dan weer niet gesteld wat de gegronde reden in het kader van de vordering tot uitsluiting betreft, aangezien de formulering "op wie deze gegronde redenen betrekking hebben" ontbreekt in de wetsbepalingen m.b.t. deze vordering(11). Dit onderscheid tussen de vordering tot uitsluiting en de vordering tot uittreding spoort met de traditionele opvatting over het fundamentele verschil tussen beide procedures : waar de vordering tot uitsluiting in de eerste plaats diende tot de vrijwaring van het vennootschapsbelang, stonden de belangen van de vennoten of aandeelhouders voorop bij de vordering tot uittreding.

Dit onderscheid is in de hierboven aangehaalde cassatierechtspraak vervaagd. Met betrekking tot de vordering tot uittreding volgt uit het arrest van het Hof van Cassatie van 16 maart 2009 immers dat de vereiste van toerekenbaarheid niet langer wordt gesteld, minstens dat die gegronde redenen niet exclusief toerekenbaar moeten zijn aan de verweerder. Dit betekent dat de omstandigheid dat de eiser ook zelf niet vrijuit gaat, niet noodzakelijk betekent dat zijn vordering moet worden afgewezen(12).

In het geannoteerde arrest met betrekking tot de vordering tot uitsluiting bevestigt het Hof van Cassatie dit principe(13). Het Hof benadrukt dat de uitsluiting kan worden bevolen op grond van een voldoende ernstige en duurzame onenigheid tussen de vennoten die het voortbestaan van de vennootschap in gevaar brengt of dreigt te brengen, en bevestigt dat de gegronde reden niet noodzakelijk hoeft te bestaan uit een foutief of onrechtmatig gedrag dat aan een van de vennoten kan worden toegerekend.

Deze cassatierechtspraak valt te situeren in een evolutie die zich eerder in de rechtspraak van de hoven en rechtbanken voltrok. Steeds meer werd door rechters aanvaard dat een eiser de verwijtbaarheid niet hoeft aan te tonen, ook al spreekt het voor zich dat zulk bewijs het hem eenvoudiger zal maken om de uittreding of uitsluiting te rechtvaardigen(14).

COOLS en TAS wijzen er terecht op dat deze opvatting vanuit pragmatische overwegingen verdedigbaar is. Indien vennoten in een duurzame conflictsituatie zijn terechtgekomen, dan is het in het belang van alle stakeholders dat het conflict definitief wordt beslecht, door uittreding of uitsluiting. Het heeft geen zin een conflict te laten voortduren omdat niet kan worden uitgemaakt aan wie de gegronde redenen toerekenbaar zijn of omdat de eiser zelf bijgedragen heeft tot de gegronde redenen(15).

6. Dat de gegronde reden niet aan de verweerder moet kunnen worden toegerekend, betekent niet dat de vordering van de eiser die het conflict zelf heeft uitgelokt, zomaar zal worden ingewilligd. Een afwijzing van de vordering is mogelijk op grond van het principe "nemo auditur" of het verbod van rechtsmisbruik(16).

7. De schuldvraag blijft in elk geval relevant voor de veroordeling in de gerechtskosten(17).

8. Vordering tot uitsluiting, beantwoord met een vordering tot uittreding (of omgekeerd). Wanneer een vordering tot uitsluiting wordt beantwoord met een vordering tot uittreding (of omgekeerd), is de schuldvraag niet meer aan de orde. Partijen zijn het dan immers eens over het vertrek uit de vennootschap van de aandeelhouder tegen wie de vordering tot uitsluiting wordt ingesteld en die zelf een vordering tot uittreding instelt. De rechter kan in zulk geval vaststellen dat de partijen akkoord zijn over het principe en de richting van de overdracht van de aandelen, zodat enkel de waardering van de aandelen aan de orde blijft(18).

9. Wederzijdse vorderingen tot uitsluiting. In geval van wederzijdse vorderingen tot uitsluiting zijn partijen het eens over het bestaan van gegronde redenen. In tegenstelling tot de hypothese waarin een vordering tot uitsluiting wordt beantwoord met een vordering tot uittreding (of omgekeerd), zijn de partijen het wel niet eens over de richting van de overdracht van de aandelen, en zullen de gegronde redenen die partijen elkaar aanwrijven, verschillen.

In geval van wederzijdse vorderingen tot uitsluiting kan de schuldvraag bijgevolg wel nog relevant zijn(19). Dit is met name het geval wanneer de rechter het bestaan vaststelt van een gegronde reden die bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag dat aan een van de partijen kan worden toegerekend. In zulk geval kan de rechter beslissen tot diens uitsluiting(20).

Ook in geval van wederzijdse vorderingen tot uitsluiting is de schuldvraag evenwel niet altijd relevant. Dit is het geval wanneer een voldoende en duurzame onenigheid tussen de vennoten als gegronde reden wordt aangenomen. Voor deze hypothese aanvaardde de rechtspraak eerder dat de rechter een keuze dient te maken voor de vennoot die de meeste garanties biedt voor het voortbestaan en de verdere ontwikkeling van de vennootschap(21). Door het belang van de vennootschap bij deze afweging te laten primeren op dat van de aandeelhouders, kan de rechter de continuïteit van de vennootschap veiligstellen(22).

In het geannoteerde arrest bekrachtigt het Hof van Cassatie deze benadering. Wanneer de rechter die te oordelen heeft over wederzijdse vorderingen tot uitsluiting het bestaan vaststelt van een gegronde reden die niet bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag, dan dient hij, aldus het Hof, na te gaan in het belang van de vennootschap, welke partij de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap.

10. De omstandigheid dat een bepaalde vennoot de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap, kan aan de hand van uiteenlopende elementen worden bewezen :

- het bezit van specifieke ervaring en vaardigheden(23);
- het bezit van diploma's, certificaten en intellectuele eigendomsrechten, die relevant zijn in het licht van de activiteiten van de vennootschap(24);
- zijn financiële mogelijkheden(25);
- diens actieve betrokkenheid vóór het ontstaan van het geschil (bv. door het nemen van initiatief bij de oprichting van de vennootschap)(26);
- de omstandigheid dat hij aan de vennootschap een voor haar noodzakelijke ruimte verhuurt(27);
- de omstandigheid dat hij voor de vennootschap werkt(28);
- de verstandhouding met de werknemers van de vennootschap(29).

De voorkeur voor een bepaalde aandeelhouder kan neerkomen op een negatieve keuze, bepaald door het gebrek aan betrokkenheid van de andere aandeelhouder(30).

11. De rechter die een antwoord moet geven op de feitelijke (en delicate)(31) vraag welke aandeelhouder de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap, kan een deskundige aanstellen(32). In bepaalde uitspraken laat de rechter de partijen een business plan opstellen om uit te maken aan welke aandeelhouder de voorkeur moet worden gegeven(33).

12. Besluit. Het geannoteerde arrest is van niet te onderschatten belang. Het Hof van Cassatie introduceert een belangrijk principe in zijn rechtspraak inzake de geschillenregeling : wanneer de rechter die zich moet uitspreken over wederzijdse vorderingen tot uitsluiting het bestaan vaststelt van een gegronde reden die niet bestaat uit een foutief of onrechtmatig gedrag, dan dient hij in het belang van de vennootschap, na te gaan welke partij de meeste garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap. Met die uitspraak bevestigt het Hof terecht een tendens in de rechtspraak die in zulke gevallen resoluut de kaart trekt van de continuïteit van de vennootschap. De vraag welke aandeelhouder dan de voorkeur verdient, is een feitenkwestie die aan de hand van uiteenlopende criteria kan worden beantwoord.

Floris Parrein(34)





Voetnoten:

* Om redenen van privacy worden de namen van natuurlijke personen vervangen door initialen of fictieve namen. Pour des raisons de protection de la vie privée, les noms des personnes physiques sont remplacés par des initiales ou des noms fictifs. (terug)
1. Vordering tot uitsluiting : artikel 334 W.Venn. (BVBA); artikel 636 W.Venn. (NV); artikel 2:63 WVV. Vordering tot uittreding : artikel 340 W.Venn. (BVBA); artikel 642 W.Venn. (NV); artikel 2:68 WVV. (terug)
2. Zie bv. Brussel 5 november 2002, RPS 2003, 396. Over de klassieke visie op de invulling van de gegronde redenen, zie o.m. H. BRAECKMANS, "Een beroep op de gegronde redenen bij uittreding vereist niet steeds een foutieve of onrechtmatige gedraging", RW 2009-10, 875, nr. 3-4; H. BRAECKMANS en R. HOUBEN, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 779, nr. 1442; O. CAPRASSE en R. AYDOGDU, Les conflits entre actionnaires. Prévention et résolution, Brussel, Larcier, 2010, 293, nr. 564; S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 66, nr. 56; H. D'HONDT, De gedwongen verkoop of aankoop van aandelen, Kortrijk UGA, 2010, 60-61; R. TAS en C. HOTTERBEEKX, "De geschillenregeling" in NV in de praktijk, Antwerpen, Kluwer, 2008, I.11.2, nr. 25 en 20-21, nr. 35-37; R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 108, nr. 8. (terug)
3. Cass. 21 maart 2014, AC 2014, 848, Pas. 2014, 787, JDSC 2015, 359, RW 2014-15, 1611. Zie hierover R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 108, nr. 8. (terug)
4. M.b.t. de vordering tot uitsluiting : Gent 4 februari 2008, NjW 2008, noot S. DE GEYTER; Gent 25 juni 2007, NjW 2008, 33, noot S. DE GEYTER, RW 2007-08, 1822; Antwerpen 27 januari 2005, TBH 2006, 438, noot C. VAN SANTVLIET en S. VERSCHAEVE; Vz. Kh. Charleroi 19 maart 2008, JLMB 2009, 328; Vz. Kh. Leuven 22 mei 2007, RABG 2009, 130, noot E. JANSSENS. M.b.t. de vordering tot uittreding : Brussel 17 december 2002, RPS 2003, 404; Gent 19 februari 2007, TRV 2007, 282; Brussel 21 april 2006, TBH 2006, 1040, noot A. COIBION; zie verder S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 66-68, nr. 56-60; F. PARREIN, "De vordering totuittreding en de gegronde redenen : "over het muurtje kijken" mag !", RW 2012-13, 18-21; R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 108, nr. 9. (terug)
5. Cass. 19 februari 2009, Pas. 2009, 524, AC 2009, 576. (terug)
6. Cass. 16 maart 2009, TBH 2009, 956, noot S. DE GEYTER, RW 2009-10, 873, noot H. BRAECKMANS. (terug)
7. Dit betekent evenwel niet dat een vordering tot uittreding steeds vereist dat het vennootschapsbelang wordt bedreigd. Dit blijkt uit het arrest van 16 maart 2009, waarin de klassieke formulering, die het belang en de positie van de eiser centraal stelt, wordt gehanteerd. Zie S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 67, nr. 59. (terug)
8. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 67, nr. 59. (terug)
9. Artikel 340 W.Venn. (BVBA); artikel 642 W.Venn. (NV); artikel 2:68 WVV. (terug)
10. Zie bv. Vz. Kh. Leuven 19 juni 2003, TRV 2004, 379; Gent 8 november 2004, RABG 2005, 17; Brussel 21 april 2006, TBH 2006, 1040, noot A. COIBION; Vz. Kh. Leuven 2 oktober 2007, RABG 2009, 136; A. COIBION, "Du détournement de procédure en matière de retrait forcé - La tentation de donner un caractère indemnitaire à l'article 642 du Code des sociétés", TBH 2005, 416, nr. 11; S. DE GEYTER, "Gegronde redenen bij gedwongen overname ("uittreding"), TBH 2009, 959. (terug)
11. Artikel 334 W.Venn. (BVBA); artikel 636 W.Venn. (NV); artikel 2:63 WVV. (terug)
12. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 58, nr. 60; R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 110, nr. 11. Een andere lezing van het arrest van 16 maart 2009 wordt verdedigd door DE GEYTER. Zij meent dat het een stap te ver is om uit dit arrest af te leiden dat een duurzame onenigheid zonder meer voldoende zou zijn om de gedwongen overname te kunnen vorderen. Volgens haar moet de eiser nog steeds bewijzen dat het gedrag van de verweerder aan de basis ligt van de onenigheid tussen de aandeelhouders, ook al is dit gedrag niet noodzakelijk foutief, en ook al komen de moeilijkheden van twee kanten (S. DE GEYTER, "Gegronde redenen bij gedwongen overname ("uittreding")", TBH 2009, 959, nr. 6). (terug)
13. Hoewel de zaak toepassing maakt van de bepalingen uit het Wetboek van Vennootschappen, blijft de leer van het arrest relevant in het WVV-tijdperk. Het WVV wijzigde de geschillenregeling op een aantal fundamentele punten (voor een overzicht : R. TAS en T. VOS, "De geschillenregeling 2.0 - Wijzigingen aan de geschillenregeling in het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen" in M. WYCKAERT (ed.) Themis. Vennootschapsrecht, Brugge, die Keure, 2018, 95-142 en R. HOUBEN, "Uitsluiting en uittreding", TBH 2018, 1131-1152), maar inzake de invulling van de gegronde redenen vereist voor de uitsluiting en uittreding verandert niets. (terug)
14. Zie bv. Brussel 21 april 2006, TBH 2006, 1040, noot A. COIBION; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER en S. COOLS, m.m.v. F. JENNÉ en A. STEENO, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010", TPR 2012, 535, nr. 486. (terug)
15. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 68, nr. 60. (terug)
16. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 68, nr. 60; S. DE GEYTER, "Gegronde redenen bij gedwongen overname ("uittreding")", TBH 2009, 959; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER en S. COOLS, m.m.v. F. JENNÉ en A. STEENO, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010", TPR 2012, 535, nr. 486; E. POTTIER en M. DE ROECK, "Le divorce entre les actionnaires : premières applications jurisprudentielles des procédures d'exclusion et de retrait", TBH 1998, 583, nr. 151. (terug)
17. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 67, nr. 57; K. GEENS, M. WYCKAERT, C. CLOTTENS, F. PARREIN, S. DE DIER en S. COOLS, m.m.v. F. JENNÉ en A. STEENO, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1999-2010", TPR 2012, 535, nr. 486. (terug)
18. Zie bv. Brussel 24 november 2004, TRV 2006, 334, noot; Vz. Kh. Brussel 30 mei 2006, RABG 2009, 112; H. BRAECKMANS en R. HOUBEN, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 782, vn. 3000; S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 66, nr. 57. (terug)
19. S. COOLS en R. TAS, "Rechterlijke maatregelen bij conflicten in vennootschappen" in K. GEENS (ed.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2011, 66, nr. 57. (terug)
20. In een arrest van 6 juni 2013 had het hof van beroep te Luik te oordelen over wederzijdse vorderingen tot uitsluiting. Volgens het hof van beroep kan de toetsing aan het vennootschapsbelang uitzonderlijk leiden tot de toekenning van de vordering van de aandeelhouder die verantwoordelijk is voor het conflict, zelfs als dit het gevolg is van een foutieve gedraging (Luik 6 juni 2013, DAOR 2013, 415). Dit standpunt lijkt me niet correct. Als (i) A een vordering tot uitsluiting instelt tegen B en omgekeerd, (ii) sprake is van een gegronde reden die kan worden toegerekend aan B, en (iii) per hypothese geen foutief of onrechtmatig handelen aan A kan worden toegerekend, dan is het logisch dat de vordering van A wordt ingewilligd en dat B wordt uitgesloten, ook al zou B meer garanties bieden voor het voortbestaan van de vennootschap. Dat A minder garanties biedt voor het voortbestaan van de vennootschap is irrelevant. De vordering tot uitsluiting ingesteld door B tegen A kan dan immers niet worden ingewilligd bij gebrek aan gegronde reden die aan A kan worden toegerekend. (terug)
21. Zie bv. Luik 10 oktober 1997, JDSC 2000, 337, RPS 1998, 394, TBH 1998, 1067; Gent 25 juni 2007, NjW 2008, 33, noot S. DE GEYTER, RW 2007-08, 1822; Gent 21 februari 2011, TGR-TWVR 2011, 369, JDSC 2013, 300. Zie verder H. BRAECKMANS, "De uitsluiting en uittreding van aandeelhouders", RW 2000-01, 1366, nr. 15; H. BRAECKMANS en R. HOUBEN, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 782, nr. 1444; N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 107, nr. 6; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 5; N. ULBURGHS, Het vennootschapsbelang als norm voor conflictprocedures, Gent, Story, 2010, 37. (terug)
22. K. GEENS, M. DENEF, F. HELLEMANS, R. TAS en J. VANANROYE, "Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen 1992-1998", TPR 2000, 444, nr. 435. Deze auteurs benadrukken dat hoewel de schuldvraag in geval van wederzijdse vorderingen tot uitsluiting niet primordiaal is, de rechter intuïtief niet anders kan dan ermee rekening te houden. (terug)
23. Zie bv. Brussel 8 maart 2012, DAOR 2014, 111; Vz. Kh. Tongeren 24 juni 1997, TBH 1998, 616, TRV 1999, 283, noot; Vz. Kh. Hasselt 23 december 2013, TRV 2015, 251; A. COIBION, "Du détournement de procédure en matière de retrait forcé - La tentation de donner un caractère indemnitaire à l'article 642 du Code des sociétés", TBH 2005, 417, nr. 12; N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 6. (terug)
24. Vz. Kh. Hasselt 21 maart 2014, TRV 2015, 249; N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 6. (terug)
25. Luik 10 oktober 1997, JDSC 2000, 337, RPS 1998, 394, TBH 1998, 1067; Vz. Kh. Hasselt 23 december 2013, TRV 2015, 251; A. COIBION, "Du détournement de procédure en matière de retrait forcé - La tentation de donner un caractère indemnitaire à l'article 642 du Code des sociétés", TBH 2005, 417, nr. 12; N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 107, nr. 7; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 6. (terug)
26. Vz. Kh. Hasselt 21 maart 2014, TRV 2015, 249; Vz. Kh. Hasselt 23 december 2013, TRV 2015, 251; N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 7. (terug)
27. Vz. Kh. Tongeren 24 juni 1997, TBH 1998, 616, TRV 1999, 283, noot. (terug)
28. N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7. Het verliezen van zijn broodwinning mag evenwel geen doorslaggevend criterium zijn : Vz. Kh. Antwerpen 1 december 2011, onuitg., aangehaald door N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7. (terug)
29. Wanneer het personeel een duidelijke voorkeur uit voor het verderzetten van de samenwerking met een bepaalde aandeelhouder, dan kan dit diens vordering tot uitsluiting kracht bijzetten : Vz. Kh. Leuven 25 maart 2013, onuitg., aangehaald door R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 109, nr. 10. (terug)
30. Zie bv. Vz. Kh. Hasselt 21 maart 2014, TRV 2015, 249; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 8. (terug)
31. TAS en VAN GAVER benadrukken dat dit een delicate afweging is. Zij verwijzen naar een arrest van het hof van beroep te Gent, dat in graad van beroep een aandeelhouder uitsloot die in eerste aanleg de uitsluiting had verkregen (Gent 21 februari 2011, TGR 2011, 369). Volgens deze auteurs speelt de omstandigheid dat de oorspronkelijke eiser aanvankelijk de uitsluiting van de twee andere aandeelhouders had gevraagd en in beroep nog slechts de uitsluiting van één van beide vroeg, een rol, aangezien het hof van beroep van mening was dat de toekenning van de gewijzigde vordering niet zou leiden tot een definitieve oplossing van het conflict (R. TAS en W. VAN GAVER, "De geschillenregeling : actuele highlights uit een evergreen" in K. GEENS, M. WYCKAERT en V. COLAERT (eds.) Themis. Vennootschaps- en financieel recht, Brugge, die Keure, 2014, 109, nr. 10). (terug)
32. Zie bv. de uitspraak waarover het hof van beroep te Gent zich uitsprak in Gent 14 april 2014, TRV 2015, 239; J.-F. KEUSTERMANS, "De vennootschapsrechtelijke geschillenregeling : een stand van zaken", TRV 2015, 214, nr. 8. (terug)
33. Vz. Kh. Tongeren 25 september 2012, onuitg., aangehaald door N. DELANG, "Des actions réciproques en cession forcée", DAOR 2014, 108, nr. 7. (terug)
34. Referendaris bij het Hof van Cassatie; vrijwillig wetenschappelijk medewerker Jan Ronse Instituut voor vennootschapsrecht en financieel recht. De bijdrage wordt ten persoonlijke titel geschreven. (terug)


© Roularta Media Group NV - This copy is licensed to 35175121230