De coöperatieve vennootschap 2.0 : verankering van de coöperatieve gedachte of wedergeboorte van de oneigenlijke coöperatieve ?

Rubriek Doctrine
Auteur(s) E. Callens/L. De Meulemeester
Editie 20/1   p. 5-37
Publicatiedatum 15 februari 2020


De coöperatieve vennootschap 2.0 : verankering van de coöperatieve gedachte of wedergeboorte van de oneigenlijke coöperatieve ?


Evariest Callens (1) en Louis De Meulemeester (2)


Inhoud

§ 1. Inleiding (nrs. 1-2)

§ 2. Regels eigen aan de CV (nr. 3)

A. Het coöperatief gedachtegoed ? (nr. 4)
1. Wettelijke omschrijving van de CV (nrs. 5-6)
2. Vereist de CV-rechtsvorm de aanwezigheid van een coöperatieve gedachte ? (nrs. 7-8)
3. Sanctionering (nr. 9)

B. Effecten
1. Categorieën van effecten : enkel aandelen op naam met stemrecht en obligaties (nrs. 10-13)
2. Minstens drie aandeelhouders (nrs. 14-15)
3. Aandelensoorten (nr. 16)
a. Stemrechten (nrs. 17-18)
b. Winstrechten (nr. 19)

C. Wijzigingen in het aandeelhoudersbestand (nr. 20)
1. Overgang van aandelen (nrs. 21-23)
2. Toetreding van aandeelhouders (nrs. 24-27)
3. Uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen (nrs. 28-29)
a. Uittreding (nrs. 30-35)
b. Uittreding van rechtswege (nrs. 36-38)
c. Uitsluiting (nrs. 39-42)
d. Gevolgen van de uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen (nr. 43)
(1) De waardering van het scheidingsaandeel (nrs. 44-45)
(2) Eisbaarheid (nrs. 46-49)

D. Een soepelere algemene vergadering
1. Algemene vergadering (nr. 50)
2. Statutenwijziging (nr. 51)

E. De bijzondere positie van het intern reglement (nrs. 52-54)

F. Het duaal systeem van de erkenningen
1. Erkende CV's (nrs. 55-56)
a. Erkenningsvoorwaarden
(1) Een open karakter (nr. 57)
(2) Niet meer dan tien procent van de stemrechten (nr. 58)
(3) Gelijke rechten en plichten per aandelensoort (nr. 59)
(4) Benoeming bestuurders en commissarissen door algemene vergadering (nr. 60)
(5) Geen deelname in de winst voor de bestuurders (nr. 61)
(6) Een beperkt dividend, eventueel aangevuld met een ristorno (nr. 62)
(7) Voldoen aan de behoeften van de aandeelhouders als voornaamste doel (nr. 63)
(8) Informatieverstrekking en opleiding (nr. 64)
b. Voordelen van de erkenning (nrs. 65-66)
2. Tussenbesluit inzake erkenningen (nr. 67)

§ 3. Overgangsrecht (nrs. 68-71)

§ 4. Besluit : de zin en onzin van een afzonderlijke vennootschapsvorm voor de Belgischecoöperatieven (nrs. 72-74)


§ 1. Inleiding

1. Van afschaffing naar hervorming. De initiële plannen om het Belgische vennootschapsrecht te hervormen stelden de afschaffing van de coöperatieve vennootschapsvorm voorop(3). De overdracht van een aantal elementen eigen aan de coöperatieve naar het wettelijke regime van de (sterk geflexibiliseerde) besloten vennootschapsvorm diende in dat scenario een eenvoudige migratie van de bestaande coöperatieven naar andere vennootschapsvormen te faciliteren, waarbij coöperatieve ondernemingen desgevallend nog steeds het statuut van "erkende coöperatieve" zouden kunnen verkrijgen om hun coöperatieve finaliteit in de verf te zetten(4). Naarmate het hervormingstraject voortgang maakte, werd evenwel duidelijk dat de coöperatieve vennootschap als dusdanig niet zou worden afgeschaft. Uiteindelijk verdween enkel de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid (CVOA). Voor de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (CVBA) blijft ook in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV)(5) een afzonderlijk wettelijk kader bestaan, al wordt door het wegvallen van de CVOA thans verwezen naar de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de meer algemene notie "coöperatieve vennootschap" (CV). Zoals infra zal blijken, is het bij de hervorming van het wettelijk kader rond de coöperatieve vennootschap de bedoeling van de wetgever geweest om de coöperatieve vennootschapsvorm voor te behouden aan de zogenaamde "eigenlijke" coöperatieven. In dat licht is het opmerkelijk dat de wetgever er tevens voor heeft geopteerd om het bestaande systeem van de erkende coöperatieve vennootschappen onverlet te laten(6).

2. Opzet van het onderzoek. In deze bijdrage analyseren wij de regelen aangaande de CV zoals vervat in het WVV(7). Eerder dan een exhaustief overzicht te geven van de relevante regels, streven wij twee specifieke doelstellingen na. Ten eerste pogen wij de punten in het WVV te identificeren waarop de CV zich thans nog steeds onderscheidt van de overige Belgische vennootschapsvormen, in het bijzonder de besloten vennootschap (BV). Deze bijdrage onderzoekt bijgevolg voornamelijk de elementen die "eigen" zijn aan de CV. Ten tweede vergelijken wij de nieuwe wettelijke regeling met de regels uit het oude Wetboek van Vennootschappen (W.Venn.) om het onderscheid tussen de twee regimes te benadrukken. Ook bij de vergelijking tussen het oude en het nieuwe recht focussen wij namelijk hoofdzakelijk op de elementen die "eigen" zijn aan de CV. Bepaalde wijzigingen die ervoor hebben gezorgd dat de regels aangaande de CV nauwer aansluiten bij het nieuwe BV-recht (e.g. wijzigingen op het vlak van bestuur, vermogen, etc.), blijven in deze bijdrage dus grotendeels buiten beschouwing. De relevante bepalingen uit het overgangsrecht worden in een afzonderlijke paragraaf behandeld.


§ 2. Regels eigen aan de CV

3. Wetgevingstechniek Boek 6 WVV. Nadat de idee werd verlaten om de coöperatieve vennootschapsvorm af te schaffen(8), werd in een tweede fase (en in de laatste rechte lijn naar de goedkeuring van het ontwerp-wetboek) ook afgestapt van de bedoeling om slechts een beperkt aantal specifieke bepalingen voor de CV uit te werken en de CV voor het overige te onderwerpen aan de regelen voor de BV(9). De finale versie van Boek 6 WVV, dat de regels voor de CV's bevat, telt uiteindelijk 128 bepalingen en dus weinig minder dan bijvoorbeeld de 158 bepalingen in het boek voor de BV. Inhoudelijk leunt het merendeel van deze CV-bepalingen evenwel dicht aan bij de bepalingen voor de BV. Op het beperkt aantal punten waar de regels voor de CV inhoudelijk toch afwijken van de regels inzake de BV, heeft de wetgever veelal gepoogd om het afwijkende karakter van de coöperatieve vennootschap te accentueren. Niet alle inhoudelijke afwijkingen lijken evenwel logisch te verklaren vanuit de ratio legis om een afzonderlijke vennootschapsvorm te creëren voor entiteiten die het coöperatief gedachtegoed uitdragen (i.e. "eigenlijke" coöperatieven)(10). Voorts heeft de wetgever zich voor de CV-bepalingen die inhoudelijk niet verschillen van het BV-recht helaas niet beperkt tot het louter kopiëren van de spiegelbepalingen bij de BV. Tal van bepalingen in boek 6 WVV wijken, zonder aanwijsbare reden en wellicht zonder dat dit de bedoeling was van de wetgever, af van de corresponderende BV-bepalingen(11)(12). Hoewel veel van deze punctuele verschillen niet noodzakelijk aanleiding hoeven te geven tot divergerende interpretaties, kan uit een beperkt aantal discrepanties wel rechtsonzekerheid voortvloeien. Ofschoon het in extenso uitschrijven van de spiegelbepalingen voor de CV de lectuur van het wetgevend kader aangaande de CV heeft vergemakkelijkt, had de wetgever de relevante spiegelbepalingen o.i. beter woordelijk kunnen kopiëren.


A. Het coöperatief gedachtegoed ?

4. Doelstelling wetgever. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gebruik van de CV-rechtsvorm heeft willen voorbehouden aan "eigenlijke" coöperatieve entiteiten(13). Blijkens de voorbereidende werken zijn die "eigenlijke" coöperatieven "vennootschappen die een onderneming voeren op basis van het coöperatief gedachtegoed zoals vervat in de ICA-beginselen"(14). De coöperatieve beginselen geformuleerd door de International Co-operative Alliance (ICA) zijn vrij ruime principes die binnen de coöperatieve sector worden gehanteerd om richting te geven aan coöperatieve ondernemingsmodellen(15). Door in de wet de wezenskenmerken van de coöperatieve vennootschap in te schrijven zou volgens de wetgever, middels een bijzonder sanctioneringsmechanisme(16), oneigenlijk gebruik van de rechtsvorm moeten kunnen worden tegengegaan(17). Het komt ons evenwel voor dat de wettelijke omschrijving de vermeende wezenskenmerken van de CV niet adequaat identificeert. Dit is problematisch, nu de intenties geuit in de voorbereidende werken niet zonder meer kunnen primeren op de (duidelijke) bewoordingen van de wet. Het gevolg is dat de bewoordingen van het WVV de doelstelling van de wetgever op dit punt niet kunnen realiseren. Hieronder tonen wij aan waarom de wettelijke omschrijving van de CV de coöperatieve vennootschapsvorm niet zal kunnen voorbehouden aan "eigenlijke" coöperatieven. Door het duaal systeem van erkende en niet-erkende CV's te behouden lijkt de wetgever overigens zelf zijn in de voorbereidende werken geuite doelstelling gedeeltelijk te ondergraven. Als de assumptie immers is dat enkel "eigenlijke" coöperatieve entiteiten zich zouden mogen organiseren binnen de coöperatieve rechtsvorm, dan valt moeilijk in te zien waarom er nog een onderscheid zou dienen te worden gemaakt tussen erkende en niet-erkende "eigenlijke" CV's(18).


1. Wettelijke omschrijving van de CV

5. Wettelijke omschrijving CV. Artikel 6:1 WVV stelt het volgende : "[d]e coöperatieve vennootschap heeft tot voornaamste doel aan de behoeften van haar aandeelhouders dan wel derde belanghebbende partijen te voldoen en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen, onder meer door met hen overeenkomsten te sluiten over de levering van goederen, de verrichting van diensten of de uitvoering van werken in het kader van de activiteit die de coöperatieve vennootschap uitoefent of laat uitoefenen. De coöperatieve vennootschap kan tevens tot doel hebben aan de behoeften van haar aandeelhouders of haar moedervennootschappen en hun aandeelhouders dan wel hun derde belanghebbende partijen te voldoen, al dan niet via de tussenkomst van dochtervennootschappen. Zij kan tevens tot doel hebben hun economische en/of sociale activiteiten te bevorderen middels een deelneming in één of meer andere vennootschappen"(19). Het overgrote deel van deze begripsomschrijving is louter facultatief van aard. Hoewel de wetgever verschillende elementen aanstipt die in het ondernemingsmodel van een CV aanwezig kunnen zijn, vallen blijkens de wet juridisch-technisch enkel de volgende entiteiten buiten de omschrijving van de CV : ondernemingen die niet tot voornaamste doel hebben (i) aan de behoeften van hun aandeelhouders te voldoen; (ii) aan de behoeften van derde belanghebbende partijen te voldoen; (iii) de economische en sociale activiteiten van aandeelhouders te ontwikkelen(20); en (iv) de economische en sociale activiteiten van derde belanghebbende partijen te ontwikkelen(21).

Vermits de vier "voornaamste doelen" alternerend zijn geformuleerd, vat de in de wet geponeerde begripsomschrijving iedere onderneming die een van de vier objectieven als voornaamste doel heeft. Voor het overige stelt het WVV geen enkele beperkende voorwaarde waaraan entiteiten moeten voldoen om binnen het begrip coöperatieve vennootschap te kunnen vallen. De "voornaamste doelen" kunnen onder meer (maar moeten dus niet noodzakelijk) worden gerealiseerd door met de aandeelhouders of derde belanghebbende partijen overeenkomsten te sluiten over de levering van goederen, de verrichting van diensten of de uitvoering van werken in het kader van de activiteit die de CV uitoefent of laat uitoefenen(22). Voorts kan de CV blijkens de wet tot doel hebben (i) aan de behoeften te voldoen (al dan niet via de tussenkomst van dochtervennootschappen) van haar aandeelhouders of haar moedervennootschappen en hun aandeelhouders dan wel hun derde belanghebbende partijen; of (ii) de economische en/of sociale activiteiten van de onder (i) vernoemde entiteiten te bevorderen middels deelneming in andere vennootschappen(23). Deze laatste toevoegingen zijn eigenlijk overbodig(24).

6. De beperkende voorwaarde van het "voornaamste doel". Een bruikbare definitie omschrijft een concept op een zodanige wijze dat er geen verwarring of ongewenste overlap kan bestaan met andere concepten. De omschrijving van de CV in het WVV voldoet o.i. niet aan deze vereiste. De beperkende voorwaarde van het "voornaamste doel" laat immers niet toe om de CV te onderscheiden van andere vennootschapsvormen.

Een CV dient blijkens de beperkende voorwaarde uit artikel 6:1, § 1, lid 1, eerste zin WVV een vennootschap te zijn die tot voornaamste doel heeft (i) aan de behoeften van haar aandeelhouders te voldoen; (ii) aan de behoeften van derde belanghebbende partijen te voldoen; (iii) de economische en sociale activiteiten van aandeelhouders te ontwikkelen; of (iv) de economische en sociale activiteiten van derde belanghebbende partijen te ontwikkelen. De wettelijke omschrijving van wat een CV behoort te zijn knoopt dus aan bij het concept "doel" van de vennootschap uit artikel 1:1 WVV. De nieuwe definitie van het begrip "vennootschap" die in deze laatste bepaling terug te vinden is geeft aan dat een van de doelen van een vennootschap steeds is om "aan haar aandeelhouders een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen". Doordat de omschrijving van de CV refereert aan het concept "doel"(25) en niet aan het concept "voorwerp"(26), wat naar de activiteiten van de vennootschap verwijst(27), is duidelijk dat het ruimere doel of opzet dat de oprichters en aandeelhouders met de vennootschap nastreven determinerend is. Als men in dat licht analyseert welke ondernemingen zich zouden kunnen organiseren binnen de vier door artikel 6:1, § 1, lid 1, eerste zin WVV genoemde "voornaamste doelen", dan volgt daar o.i. uit dat nagenoeg alle vennootschappen zich als CV kunnen organiseren zonder daarbij de perimeter van de begripsomschrijving te overschrijden. Zoals reeds blijkt uit artikel 1:1 WVV, heeft iedere vennootschap immers tot doel om aan haar aandeelhouders een vermogensvoordeel te bezorgen of uit te keren. Het komt ons voor dat de toekenning van een vermogensvoordeel aan de aandeelhouders (bijvoorbeeld via dividenden, meerwaarden op aandelen, ristorno's, geleverde diensten, etc.) op zichzelf reeds kwalificeert als het voldoen aan de behoeften van aandeelhouders. Rest enkel nog de vraag of dit bij alle types van ondernemingsmodellen het voornaamste doel van de vennootschap is. Wellicht is dit niet per se zo. Het voornaamste doel van bepaalde vennootschappen kan er allicht ook in bestaan tegemoet te komen aan de behoeften van andere stakeholders(28). In het licht van artikel 1:1 WVV, lijkt het uitgangspunt ons evenwel dat een vennootschap in principe als voornaamste doel heeft om aan de behoeften van haar aandeelhouders te voldoen(29). Ook in de klassieke coöperatieve ondernemingsmodellen, zoals bijvoorbeeld productiecoöperaties, staat doorgaans nog steeds het vermogensvoordeel van aandeelhouders centraal, zij het dat het vermogensvoordeel traditioneel op een andere manier tot stand komt en wordt verdeeld dan in traditionele kapitalistische vennootschappen(30). Dit onderscheid komt echter niet tot uiting in de definitie. Uiteraard moet het mogelijk zijn om door de levering van tegenbewijs het tegendeel aan te tonen. In de mate dat het voornaamste doel van de vennootschap er daadwerkelijk in zou bestaan om behoeften van andere actoren te bevredigen, is dit echter slechts problematisch voor zover het geen behoeften van derde belanghebbende partijen betreft. Voldoen aan de behoeften van derde belanghebbende partijen volstaat immers ook om onder de wettelijke begripsomschrijving van de CV te vallen(31).

Het voldoen aan behoeften van aandeelhouders of derde belanghebbende partijen moet blijkens de wet onderscheiden worden van het ontwikkelen van de economische en sociale activiteiten van de aandeelhouders of derde belanghebbende partijen. Er lijkt evenwel een ruime overlap te bestaan tussen deze doelen. Wellicht zou men zelfs kunnen voorhouden dat een vennootschap met als voornaamste doel het faciliteren van de ontwikkeling van economische en sociale activiteiten van de aandeelhouders of derde belanghebbende partijen steeds als voornaamste doel heeft aan de behoeften van de relevante partijen te voldoen(32). Het lijkt verder ook niet de bedoeling te zijn geweest de wettelijke omschrijving in te perken door de verwijzing naar de economische én de sociale activiteiten van de aandeelhouders die door de CV zouden moeten worden ontwikkeld. De Franstalige tekstversie van artikel 6:1 WVV maakt immers duidelijk dat het om "le développement des activités économiques et/ou [eigen onderlijning] sociales de ses actionnaires" gaat.


2. Vereist de CV-rechtsvorm de aanwezigheid van een coöperatieve gedachte ?

7. Gevolgen van de inadequate wettelijke omschrijving. O.i. creëert de wettelijke omschrijving in het algemeen en de zeer brede notie "aan behoeften voldoen" in het bijzonder een conflict tussen de wet en de wil van de wetgever zoals geformuleerd in de parlementaire voorbereiding. Zoals hoger beschreven blijkt uit het WVV niet dat enkel de in de voorbereidende werken omschreven "eigenlijke" coöperatieven zich als CV zouden mogen organiseren(33). A fortiori, door een duaal systeem te handhaven met zowel niet-erkende CV's als erkende CV's (die moeten voldoen aan een aantal principes die zijn geïnspireerd op de coöperatieve ICA-beginselen)(34), erkent het WVV o.i. dat ook vennootschappen die niet volledig functioneren volgens de coöperatieve beginselen zich als CV kunnen organiseren(35). De parlementaire voorbereiding stuurt daarentegen wel aan op de introductie van een exclusieve rechtsvorm voor "eigenlijke" coöperatieve entiteiten(36).

De parlementaire voorbereiding kan men uiteraard aanwenden om onduidelijke wetgevende teksten te interpreteren. De notie "aan behoeften voldoen" is bijzonder ruim en, vanuit het perspectief van de bedoelingen van de wetgever, wellicht onwenselijk en zelfs ongewild ruim. Dit betekent evenwel nog niet dat de notie ook onduidelijk zou zijn(37). O.i. lijdt het geen twijfel dat "aan behoeften voldoen" van bijvoorbeeld aandeelhouders onder meer ondernemingsmodellen kan omvatten die haaks staan op de coöperatieve gedachte die de wetgever heeft pogen te introduceren. Voor zover deze ondernemingen als voornaamste doel hebben om aan die specifieke behoeften van hun aandeelhouders te voldoen, kunnen zij zich organiseren als CV. Dit geldt volgens ons a fortiori voor vennootschappen die vormgeven aan een samenwerkingsverband tussen bijvoorbeeld beoefenaren van vrije beroepen (die vooralsnog veelvuldig in de CVBA-vorm zijn georganiseerd)(38). Wij scharen ons dan ook niet achter het antwoord op de parlementaire vraag over de draagwijdte van artikel 6:1 WVV, waarin een verbod op het gebruik van de CV voor de uitoefening van een vrij beroep wordt vooropgesteld(39).

8. Het coöperatief gedachtegoed in de Belgische wet. Het W.Venn. omschreef de coöperatieve vennootschap als "een vennootschap die is samengesteld uit een veranderlijk aantal vennoten met veranderlijke inbrengen"(40). Onder het oude vennootschapsrecht was het flexibele toe- en uittreden van aandeelhouders ten laste van het vennootschapskapitaal inderdaad het meest in het oog springende verschil tussen de coöperatieve vennootschap enerzijds en de BVBA en de NV anderzijds. Ook het WVV bepaalt dat de CV-aandeelhouders ten laste van het vennootschapsvermogen kunnen uittreden of uit de vennootschap worden uitgesloten(41), maar deze elementen zijn thans ook geïncorporeerd in het wettelijk kader aangaande de BV(42). Zoals hoger uiteengezet, heeft de wetgever met de introductie van het WVV gepoogd de coöperatieve finaliteit centraal te stellen als onderscheidend element in de omschrijving van de CV(43). Hoewel het sinds de introductie van de coöperatieve vennootschapsvorm in 1873 reeds de intentie van de wetgever is geweest om de coöperatieve rechtsvorm voor te behouden aan vennootschappen die het coöperatief gedachtegoed uitdragen(44), heeft het wettelijk kader aangaande de coöperatieve nooit beperkende voorwaarden gesteld die het gebruik van de coöperatieve vennootschapsvorm door "oneigenlijke" coöperatieve vennootschappen onmogelijk maakten(45). Wel waren er in het verleden - weinig succesvolle - wetgevende initiatieven die de ongebreidelde flexibiliteit van de coöperatieve vennootschapsvorm probeerden in te dammen teneinde het oneigenlijk gebruik minder aantrekkelijk te maken(46). Overigens lijkt o.i. het probleem van het "oneigenlijk gebruik" typisch te zijn voor de Belgische CV, waarbij de rechtsvorm zich op vennootschapsrechtelijk vlak profileert als een soepele organisatievorm, terwijl in andere landen coöperatieve rechtsvormen juist een strikt wettelijk kader hebben, waardoor er bijgevolg geen 'oneigenlijk gebruik' zal voorkomen(47).

In een poging om, na bijna 150 jaar oneigenlijk gebruik, de coöperatieve vennootschap voor te behouden aan vennootschappen met een werkelijke coöperatieve finaliteit, heeft de wetgever zich bij de recente hervorming van het Belgische vennootschapsrecht in belangrijke mate laten inspireren door omschrijving van de Europese wetgever van de Europese coöperatieve vennootschap (SCE)(48). In het licht van de doelstelling van de wetgever valt moeilijk in te zien waarom de Belgische wetgever aansluiting heeft gezocht bij de omschrijving van de, in België allerminst populaire(49), SCE. Zoals hoger aangetoond, slaagt de Belgische variant van de Europese omschrijving er immers allerminst in om de doelstelling van de wetgever te realiseren en de coöperatieve vennootschapsvorm dus voor te behouden aan "eigenlijke" coöperatieven(50). Net zoals de Raad van State(51) menen wij dat de wettelijke definitie er niet in slaagt om duidelijk aan te geven op welke vlakken de CV zich precies onderscheidt van andere vennootschapsvormen.


3. Sanctionering

9. Sanctionering. In een poging oneigenlijk gebruik van de CV-rechtsvorm tegen te gaan, heeft de wetgever een zwaarwichtige sanctie verbonden aan de niet-naleving van de hierboven beschreven wettelijke omschrijving van de CV. Het WVV stelt immers dat de ondernemingsrechtbank op verzoek van een aandeelhouder, een belanghebbende derde of het openbaar ministerie de ontbinding kan uitspreken van een CV die niet beantwoordt aan de hierboven geanalyseerde vereisten gesteld in artikel 6:1 WVV(52). In voorkomend geval kan de rechtbank evenwel een termijn aan de vennootschap toestaan om haar toestand te regulariseren(53). Dergelijke regularisatie impliceert de omvorming tot een andere vennootschapsvorm of een aanpassing van het ondernemingsmodel.

Het zwaarwichtige karakter van de sanctie moet uiteraard in het licht worden gezien van de gebrekkige wettelijke omschrijving van de CV. Wij menen dat, gezien de zeer ruime bewoordingen van de definitie, de hoven en rechtbanken zich terughoudend moeten opstellen bij een dergelijke beoordeling. Gezien de zware sanctie, lijkt een strikte interpretatie immers noodzakelijk. Vermits de coöperatieve rechtsvorm door de tekst van het WVV niet wordt voorbehouden aan eigenlijke CV's, zal ook de ontbindingssanctie haar doel in principe voorbijschieten(54). In ieder geval kan de rechter bij een eventuele toetsing van het voornaamste doel van de vennootschap aan artikel 6:1 WVV bogen op de statuten. Deze moeten thans de coöperatieve finaliteit en de waarden van de CV beschrijven(55). Deze elementen kunnen ook meer uitvoerig worden toegelicht in een intern reglement of een handvest.

Het overgangsrecht aangaande de coöperatieve vennootschap bepaalt ten slotte dat CVBA's die niet aan de definitie uit artikel 6:1 WVV voldoen op 1 januari 2024 van rechtswege zullen worden omgevormd tot een BV(56). Door het bestaan van deze overgangsregeling moet wellicht worden aangenomen dat de hoger beschreven ontbindingssanctie thans enkel speelt voor "oneigenlijke" CV's die worden opgericht onder het nieuwe vennootschapsrecht en niet voor de bestaande "oneigenlijke" CVBA's(57).


B. Effecten

1. Categorieën van effecten : enkel aandelen op naam met stemrecht en obligaties

10. Categorieën van effecten. De CV verschilt grondig van de BV op het vlak van de effecten die kunnen worden uitgegeven. Terwijl de BV alle effecten kan uitgeven die niet door of krachtens de wet verboden zijn(58), kan de CV in beginsel enkel aandelen op naam met stemrecht en obligaties uitgeven(59). De ontoelaatbaarheid binnen de CV van andere effecten dan aandelen op naam en obligaties bestond reeds onder het W.Venn.(60). Het blijft dus zo dat bijvoorbeeld inschrijvingsrechten niet kunnen worden uitgegeven door een CV. Voorts moet ieder aandeel in de CV eveneens nog steeds een inbreng vertegenwoordigen(61).

11. Aandelen op naam. Ook reeds onder het W.Venn. dienden de aandelen uitgegeven in een coöperatieve vennootschap steeds op naam te zijn(62). Het WVV innoveert evenwel ten opzichte van het W.Venn. door niet langer expliciet te vereisen dat ieder aandeel is voorzien van een volgnummer. Hoewel ook de aandelen van een niet-genoteerde BV steeds op naam moeten zijn(63), mogen alle andere effecten gedematerialiseerd zijn indien de statuten dit toelaten(64). In de CV geldt dat enkel de obligaties gedematerialiseerd kunnen zijn, voor zover de statuten dit toelaten(65).

12. Converteerbare obligaties ? Wat de mogelijkheid tot uitgifte van converteerbare obligaties betreft, blinkt de wettekst niet uit in duidelijkheid. Hoewel niet helemaal onbetwist(66) kon onder het oude recht aangenomen worden dat converteerbare obligaties in beginsel toegelaten waren, met de belangrijke nuance dat om effectief van het conversierecht gebruik te maken men aan de toelatingsvoorwaarden om aandeelhouder te worden diende te voldoen, inclusief toestemming van het bevoegde orgaan(67).

Het WVV bepaalt dat de CV enkel aandelen op naam en obligaties kan uitgeven, die in beginsel op naam zijn(68). In het WVV is geen expliciet verbod om converteerbare obligaties uit te geven voorzien(69). Blijkens de parlementaire voorbereiding is het wel de bedoeling van de wetgever geweest om converteerbare obligaties te verbieden(70). De wetgever heeft er zich echter toe beperkt de relevante bepalingen en verwijzingen inzake converteerbare obligaties uit het BV-recht niet over te nemen in de gespiegelde CV-bepalingen(71). Een duidelijk wettelijk verbod valt dan ook aan te bevelen, want op basis van een letterlijke lezing van de wet zou men kunnen argumenteren dat zij nog steeds toegelaten zijn.

13. Geen notering. De aandelen van een CV kunnen, in tegenstelling tot deze van een BV, niet worden toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, noch op een "niet gereglementeerde markt"(72). In het geval van notering van obligaties op een gereglementeerde markt, wordt de vennootschap een organisatie van openbaar belang als bedoeld in artikel 1:12, 2° WVV(73).


2. Minstens drie aandeelhouders

14. Minstens drie aandeelhouders. Het WVV bepaalt, net zoals het W.Venn.(74), dat een coöperatieve vennootschap op straffe van nietigheid door minstens drie personen moet worden opgericht(75). Op straffe van gerechtelijke ontbinding moet de CV ook tijdens haar levensduur minstens drie aandeelhouders tellen(76). De voorbereidende werken bij het WVV stellen dat de "bijzondere aard van de CV" noopt tot het behoud van een minimum van drie aandeelhouders(77). Hoewel het logisch is dat een coöperatief samenwerkingsverband de participatie van meerdere personen vergt, valt o.i. moeilijk in te zien waarom voor de verwezenlijking van de coöperatieve gedachte noodzakelijkerwijs minstens drie aandeelhouders voorhanden moeten zijn. Het komt ons immers voor dat op coöperatieve leest geschoeide samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld klanten en leveranciers ook kunnen worden gefaciliteerd bij éénhoofdig opgerichte vennootschappen(78). Gelet op de onduidelijke finaliteit of minstens de gebrekkige effectiviteit, had de wetgever de stiefmoederlijke vereiste van de driehoofdigheid en de bijhorende zwaarwichtige sanctiemechanismen o.i. bij de introductie van het WVV beter kunnen afschaffen.

15. Sanctionering pluraliteitsvereiste. Wanneer minder dan drie oprichters geldig verbonden zijn binnen een CV, dan kan die CV nietig worden verklaard(79). Vermits de CV evenwel op straffe van nietigheid bij authentieke akte moet worden opgericht(80), zal de notaris in principe nagaan of er voldoende oprichters zijn. Per abuis een CV oprichten met minder dan drie oprichters zal dus praktisch onmogelijk zijn(81). Een meer aannemelijke hypothese is dat men meent met drie oprichters te zijn op het moment van de oprichting, maar dat nadien de deelneming van één van de oprichters nietig wordt verklaard(82). Door de retroactieve werking van de nietigverklaring wordt men dan geacht slechts met twee oprichtende aandeelhouders te zijn geweest op het moment van de oprichting(83). Indien zou blijken dat er op het moment van oprichting geen drie geldig verbonden aandeelhouders waren kan de rechter, indien het mogelijk is de toestand van de vennootschap te regulariseren, de CV een termijn gunnen om de problematische situatie te verhelpen door bijvoorbeeld een of meerdere aandeelhouders te laten toetreden(84).

Als een CV daarentegen in de loop van haar bestaan minder dan drie aandeelhouders zou tellen, kan elke belanghebbende haar ontbinding vorderen voor de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap(85). Desgevallend kan de ondernemingsrechtbank evenwel een termijn toestaan om de toestand te regulariseren door zich om te zetten naar een andere rechtsvorm of door het aantal aandeelhouders opnieuw op drie te brengen(86). Gelet op de flexibele uittreding en uitsluiting binnen de CV is het denkbaar dat een CV op een bepaald moment inderdaad minder dan drie aandeelhouders telt. De vennootschap kan echter niet louter op basis van het wettelijk vereist minimumaantal aandeelhouders de uittreding weigeren, tenzij dit uitdrukkelijk in de statuten wordt bepaald(87). Ook houdt de daling beneden het minimumaantal aandeelhouders niet in dat er niet zou kunnen worden overgegaan tot uitsluiting(88).


3. Aandelensoorten

16. Soorten aandelen. Het WVV erkent dat een CV verschillende "soorten" aandelen kan uitgeven(89). Met de notie "soort" doelt de wetgever op een reeks van aandelen waaraan andere rechten zijn verbonden dan aan andere aandelen uitgegeven door dezelfde vennootschap(90). Ook reeds onder het W.Venn. was het mogelijk om in de statuten gedifferentieerde regelingen te treffen met betrekking tot het stemrecht en de winstverdeling van de aandelen(91). Bijzonder voor de CV is evenwel dat men aan een aandeelhouder als persoon bijzondere rechten kan toekennen, die geen aanleiding geven tot soortvorming(92). Doordat in dat geval de specifieke rechten gekoppeld zijn aan de hoedanigheid van aandeelhouder, gaan deze bijzondere rechten niet over op latere verkrijgers van de aandelen(93). De memorie geeft als voorbeeld het geval waarbij aan de persoon van een oprichter of een investeerder bijzondere rechten worden toegekend(94).


a. Stemrechten

17. Stemrechten aandelen. Behoudens andersluidende statutaire bepaling is zowel in de CV als in de BV aan elk aandeel één stem verbonden(95). Ook onder het W.Venn. was de wetgever voor de coöperatieve vennootschap reeds afgestapt van het voorheen geldende adagium "één persoon, één stem"(96). Uit het suppletief karakter van de regel volgt evenwel dat allerhande afwijkende statutaire regelingen toelaatbaar zijn. Zo kan men onder meer : (i) in lijn met de coöperatieve gedachte iedere persoon één stem toekennen (zoals ook verwoord in de erkenningsvoorwaarden)(97); (ii) in lijn met het NV-model de stemrechten toekennen naar evenredigheid met de inbrengen in de vennootschap(98); of (iii) bepaalde aandelensoorten meervoudig stemrecht toekennen(99). Deze laatste techniek laat toe om de macht van bepaalde aandeelhouders binnen de CV behoorlijk stevig te betonneren(100). Ook de in de praktijk gebruikelijke clausule die een bepaalde aandelensoort het recht verleent bestuurders voor te dragen, is mogelijk binnen de CV(101).

Bijkomend kunnen de statuten het totale aantal stemmen waarover een aandeelhouder beschikt op de algemene vergadering beperken. Men moet bij het moduleren van de stemrechten van de aandeelhouders, net zoals bij de BV(102), wel rekening houden met het feit dat de statuten het aantal stemmen per aandeelhouder (en dus niet per aandeel) in beginsel slechts kunnen beperken indien de beperking verplicht van toepassing is op iedere aandeelhouder zonder onderscheid van het effect waarmee hij aan de stemming deelneemt(103). Wanneer men in de CV aan specifieke aandeelhouders rechten toekent die verbonden zijn aan hun hoedanigheid, en niet aan hun aandelen(104), kan men - in tegenstelling tot wat het geval is bij de BV -, in een dergelijk geval van deze regel afwijken(105).

De statutaire vrijheid inzake de toekenning van stemrechten wordt thans op een ander belangrijk punt verder ingeperkt. In tegenstelling tot wat het geval was onder het W.Venn., bepaalt het WVV immers expliciet dat alle aandelen in de CV stemrecht moeten hebben(106). Hiermee komt een einde aan een discussie die lang woedde in de rechtsleer. In het verleden werd ten gevolge van het stilzwijgen van de wet op dit punt door de meerderheid van de auteurs immers aangenomen dat het voor een CVBA mogelijk moest zijn aandelen zonder stemrecht uit te geven(107). Een minderheidsstrekking meende daarentegen dat de CVBA geen aandelen zonder stemrecht kon uitgeven omdat de beraadslaging binnen de algemene vergadering een essentiële veruitwendiging van het lidmaatschap van de coöperatieve vennootschap zou vormen, die niet als dusdanig contractueel buiten werking zou mogen worden gesteld(108). Onder het WVV blijkt duidelijk uit de wet dat aandelen zonder stemrecht niet mogelijk zijn binnen de CV.

Enkel zolang de behoorlijk opgevraagde en opeisbare stortingen verbonden aan aandelen niet zijn gedaan, wordt de uitoefening van het stemrecht verbonden aan die aandelen geschorst(109).

18. Verbod certificeringsoperaties. Ook anders dan in de BV, kunnen en mogen de effecten in de CV niet worden gecertificeerd(110). Met dit expliciete verbod op certificering schenkt het WVV klare wijn op een punt waar het W.Venn. zich in stilzwijgen hulde. Uit dit stilzwijgen werd in de rechtsleer door sommigen afgeleid dat een certificering van aandelen in de CVBA mogelijk moest zijn(111). Onder het WVV is dit in ieder geval dus niet (langer) het geval.


b. Winstrechten

19. Winstrechten. Net zoals in de BV(112), deelt elk CV-aandeel in de winst of het vereffeningssaldo en geeft elk aandeel, behoudens andersluidende statutaire bepaling, recht op een gelijk deel van de winst en het vereffeningssaldo(113). Preferente aandelen met een voorkeurdividend kunnen dus nog steeds worden uitgegeven(114). Middels afwijkende regelingen inzake winstverdeling per soort van aandelen kan men ten dele het verbod op de uitgifte van winstbewijzen binnen de CV opvangen(115).

Net zoals bij de BV(116), worden bepalingen die aan één van de aandeelhouders de gehele winst toekennen, of aan één of meer aandeelhouders enige deelname in de winst ontzeggen (i.e. leeuwenbedingen), voor niet geschreven gehouden(117).

De statuten van een erkende CV(118) kunnen bepalen dat het vermogen dat bij vereffening overblijft na aanzuivering van het passief en terugbetaling van de door de aandeelhouders gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng wordt bestemd voor economische of sociale activiteiten die zij beoogt te bevorderen(119). Dit is verplicht voor CV's die erkend zijn als sociale onderneming(120). Voor erkende CV's die van dergelijke modaliteit gebruikmaken is het winstoogmerk van de aandeelhouders dus eerder beperkt, omdat ook dividenden in dergelijke vennootschappen gelimiteerd zijn(121).


C. Wijzigingen in het aandeelhoudersbestand

20. Specifiek voor de CV ? De toetreding zonder statutenwijziging en de mogelijkheid tot buitengerechtelijke uittreding en uitsluiting werden traditioneel gezien als specifieke kenmerken van de CV(122). Onder het WVV is dit niet langer het geval, nu de buitengerechtelijke uittreding en uitsluiting voortaan ook mogelijk zijn in de BV, wat kadert in de betrachting van de wetgever om vrije beroepsassociaties te laten overschakelen naar de BV-vorm(123).

Toch zijn er belangrijke verschilpunten tussen de beide wettelijke regimes : zo moeten in de BV onder andere de statuten uitdrukkelijk voor de buitengerechtelijke exitmechanismen kiezen en zal steeds eenmaal per boekjaar een statutenwijziging vereist zijn. Verder blijven er in het bijzonder op vlak van de toetreding van nieuwe aandeelhouders belangrijke verschillen bestaan.


1. Overgang van aandelen

21. Vrije overdracht tussen aandeelhouders. Net zoals onder het oude recht(124), mogen aandeelhouders in beginsel vrij aandelen overdragen aan elkaar(125). Aan de vennootschap en derden kan de overdracht evenwel enkel tegenwerpelijk worden gemaakt na inschrijving in het aandelenregister(126). De statuten kunnen van de vrije overdracht afwijken, door bijvoorbeeld goedkeuring van het bestuur of de algemene vergadering te eisen, of kunnen de overdracht volledig verbieden(127).

Tussen aandeelhouders zijn aandelenoverdrachten ook in de BV vrij, behoudens andersluidende statutaire regeling(128). In tegenstelling tot wat het geval is bij de CV, geldt dit ook voor overdrachten aan de echtgenoot van de overdrager en aan bloedverwanten in rechte opgaande en nederdalende lijn(129).

22. Beperkte overdracht aan derden. Voor de overdracht aan derden gelden strengere regels. Derden dienen te behoren tot de categorieën bepaald in de statuten en moeten voldoen aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden(130). Anders dan onder het vroegere CV-recht(131), komt het in beginsel aan het bestuursorgaan toe om de geschiktheid van de kandidaat-verwerver te toetsen aan de statuten en op basis hiervan te beslissen over de toelaatbaarheid van de overdracht(132). De statuten kunnen deze bevoegdheid evenwel delegeren aan de algemene vergadering(133). Opdat het bevoegde orgaan een kandidaat-verwerver zou kunnen weigeren die volgens de statuten wel in aanmerking komt voor toelating tot de CV, wordt thans vereist dat de statuten het bevoegde orgaan met die bevoegdheid bekleden(134). In voorkomend geval zal het bevoegde orgaan de weigering dienen te motiveren(135). Een sanctie voor de miskenning van deze motiveringsplicht is evenwel niet voorzien. Indien een overdracht is gebeurd zonder de toestemming van het bevoegde orgaan, zal de overdracht niet aan de vennootschap of aan derden kunnen tegengeworpen worden(136).

23. Overdrachten in de BV. In de BV zijn de regels omtrent overdracht aan derden nog een stuk strikter. Als 'default-regel' is nog steeds de instemming nodig van ten minste de helft van de aandeelhouders die ten minste drie vierde van de aandelen bezitten, na aftrek van de over te dragen aandelen(137). Een niet onbelangrijke wijziging in het WVV is evenwel dat de statuten ook in de BV in afwijkende regelingen kunnen voorzien, waardoor versoepelingen voortaan mogelijk zijn en alle restricties statutair weggewerkt kunnen worden(138).


2. Toetreding van aandeelhouders

24. Toetreding dwingend & zonder statutenwijziging. Naast het verwerven van bestaande aandelen kan men ook toetreden tot de CV door bijkomende inbrengen te doen. Net als onder het W.Venn., is hiervoor geen statutenwijziging vereist, zelfs niet als er nieuwe aandelen worden uitgegeven (infra nr. 25)(139). Zoals reeds aangestipt wordt de mogelijkheid tot toetreding als een essentieel kenmerk van de CV gezien, waardoor de statuten hiervan niet mogen afwijken(140). Toch is dergelijk dwingend karakter van de toetreding wat misleidend. Om toe te treden tot de vennootschap gelden immers dezelfde voorwaarden als voor wat betreft de overdracht van aandelen(141). Dit impliceert dat bestaande aandeelhouders in beginsel vrij mogen inschrijven op nieuwe aandelen en dat derden kunnen inschrijven indien zij behoren tot de door de statuten bepaalde categorieën en voldoen aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden(142). Voor derden is het dus in beginsel het bestuur dat op basis van de statuten verifieert of kandidaat-aandeelhouders geschikt zijn om toe te treden tot de vennootschap(143). Net zoals bij de overdracht van aandelen aan derden(144), kan mits statutaire bepaling in die zin ook de toetreding door het bevoegde orgaan (gemotiveerd) worden geweigerd van personen die volgens de statuten wel geschikt zijn om toe te treden(145). De CV is dus niet noodzakelijk een 'open' vennootschap waarbij om het even wie kan toetreden. Ook bij erkende CV's gaat deze redenering in belangrijke mate op. Hoewel een van de erkenningsvoorwaarden het open karakter van de vennootschap vooropstelt (infra nr. 57), kunnen ook erkende CV's de toetredingsmogelijkheden beperken in de statuten.

Het komt aan het bestuur toe, of aan de algemene vergadering indien de statuten dat bepalen, om te beslissen over de uitgifte van nieuwe aandelen(146). Om de rechten van bestaande aandeelhouders niet te schenden, mag het bestuur enkel aandelen van een bestaande soort uitgeven, tenzij de algemene vergadering met een statutaire meerderheid machtiging verleent om een nieuwe soort aandelen uit te geven(147). Hoewel de mogelijkheid tot toetreding niet statutair kan uitgesloten worden, kunnen de statuten daarvan wel de modaliteiten vaststellen, met eventueel een maximumaantal uit te geven aandelen(148). Zo zouden de statuten bijvoorbeeld kunnen bepalen dat één aandeelhouder niet meer dan een bepaald percentage van de aandelen mag bezitten.

Anders dan in de BV, maar ongewijzigd tegenover het oude recht, hebben bestaande aandeelhouders geen voorkeurrecht bij de uitgifte van nieuwe aandelen. Aangezien de statuten de modaliteiten van de uitgifte mogen bepalen, staat echter niets in de weg om een dergelijk voorkeurrecht statutair in te lassen.

25. Verslaggevingsplicht. Nieuw in het WVV is dat het bestuur jaarlijks op de algemene vergadering verslag dient uit te brengen over de uitgiftes gedurende het voorbije boekjaar(149). Dat verslag bevat ten minste het aantal bestaande en nieuwe aandeelhouders die inschreven op nieuwe aandelen, het aantal en de soort aandelen waarop zij hebben ingeschreven, de betaalde vergoeding en de verantwoording van de uitgifteprijs, in zoverre deze niet statutair wordt bepaald, naast eventuele andere modaliteiten. Om de verslaggevingsplicht niet onnodig zwaar te maken in CV's met een groot aandeelhoudersbestand, is niet vereist dat de identiteit van de bestaande en nieuwe aandeelhouders wordt vermeld(150). De statuten kunnen evenwel anders bepalen. Op de niet-nakoming van de verslaggevingsplicht staat geen sanctie. Anders dan de verslaggevingsplicht in de BV is de rol van het bestuur in de CV immers beperkt tot het achteraf informeren van de andere aandeelhouders, daar waar in de BV het bestuur informatie dient te verschaffen aan de algemene vergadering alvorens de algemene vergadering een beslissing neemt over de uitgifte van nieuwe aandelen(151).

Het verslag moet opgenomen worden bij het jaarverslag of in een bijzonder verslag dat wordt neergelegd en bekendgemaakt(152). Hoewel in de oprichtingsakte het totale aantal aandelen moet worden vermeld(153), moet dit bij latere wijzigingen niet statutair aangepast worden. Om een volledig beeld te vormen omtrent het aantal aandelen, moet men zich dus richten tot het openbare verslag of het aandelenregister. Dezelfde regeling geldt bij uittredingen en uitsluitingen van aandeelhouders(154).

26. Toetreding in de BV. Hoewel, op enkele verschilpunten na, de soepele buitengerechtelijke 'exit' van aandeelhouders ook in de BV volledig statutair kan geregeld worden zoals in de CV(155), is dezelfde soepelheid op het vlak van de toetreding niet aanwezig in de BV. In de BV is immers steeds een statutenwijziging vereist om tot uitgifte van nieuwe aandelen te beslissen(156). Door de vereiste statutaire meerderheid(157) is de uitgifte van nieuwe aandelen in de BV een omslachtiger proces, daar waar in de CV in beginsel het bestuur kan beslissen tot uitgifte van nieuwe aandelen. Verder is zoals reeds aangehaald de rol van het bestuur geheel anders : in de BV moet het bestuur, en desgevallend de commissaris, alvorens de algemene vergadering een beslissing neemt, een verslag opmaken dat de uitgifteprijs verantwoordt en waarin de gevolgen voor de bestaande aandeelhouders worden beschreven(158). Indien deze verslagen ontbreken dan is het besluit van de algemene vergadering nietig(159).

Het wordt voortaan in de BV echter ook mogelijk, naar analogie met de NV, om aan het bestuur de bevoegdheid toe te kennen om tot uitgifte van nieuwe aandelen over te gaan (vroeger in de NV beter bekend als het "toegestaan kapitaal"). Dit kan enkel door middel van een statutaire machtiging, waarbij de machtiging voor maximum vijf jaar geldig is(160). Wel zal nog steeds minstens eenmaal per jaar een authentieke akte vereist zijn(161).

Een ander duidelijk verschil met de CV is dat in de BV de bestaande aandeelhouders over een voorkeurrecht beschikken(162). De statuten kunnen dit niet beperken, enkel bij unanimiteit kunnen de aandeelhouders afstand doen van hun voorkeurrecht bij het besluit van de algemene vergadering dat beslist om tot uitgifte over te gaan(163).

Dit alles leidt tot de vaststelling dat op het vlak van de toetreding de CV nog steeds wordt gekenmerkt door een verregaande soepelheid in vergelijking met de BV, al kan men in de BV evenwel dezelfde of minstens sterk gelijkaardige mechanismen installeren indien aan bovenvermelde voorwaarden wordt voldaan.

27. Soorten en uitgifte aandelen. Indien er meerdere soorten van aandelen zijn(164), dan heeft in de CV de uitgifte van nieuwe aandelen van één soort niet tot gevolg dat de soortrechten worden gewijzigd(165). Dit is anders in de BV, waardoor in dat geval bij de uitgifte een statutaire meerderheid moet bereikt worden binnen iedere aandelensoort(166).


3. Uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen

28. Inleiding. Kenmerkend voor de CV is de relatief eenvoudige manier voor aandeelhouders om de vennootschap te verlaten. Indien de aandeelhouders uittreden of uitgesloten worden uit de vennootschap, dan gaan de aandelen immers niet over op andere aandeelhouders maar worden ze vernietigd(167). Daarbij betaalt de vennootschap de tegenwaarde van de aandelen (het scheidingsaandeel) uit aan de gewezen aandeelhouders. In wat verder zal beschreven worden, zal blijken dat, net zoals onder het oude recht, de statuten betrekkelijk veel vrijheid hebben om dergelijke mechanismen vrij te moduleren. In de praktijk wordt daar veelvuldig gebruik van gemaakt(168).

Er dient hierbij opgemerkt te worden dat, naast de aandelenoverdracht, de uittreding en de uitsluiting in de CV de enige mechanismen zijn om de vennootschap te verlaten, naast de vrijwillige of gerechtelijke ontbinding. Net zoals onder het vroegere recht, is de geschillenregeling(169) niet van toepassing op de CV en is het - voortaan onbetwistbaar - verboden voor CV's om tot inkoop of inpandgeving van eigen aandelen over te gaan(170).

29. Voortaan ook in de BV. In het kader van betrachting van de wetgever om professionele vennootschappen niet langer massaal gebruik te laten maken van de CV, was het essentieel dat de buitengerechtelijke uittreding (en in ondergeschikte orde ook de uitsluiting) voortaan ook beschikbaar werd in de BV(171). In de BV zijn de buitengerechtelijke exitmogelijkheden echter steeds optioneel : de statuten zullen er steeds uitdrukkelijk voor moeten kiezen(172). Belangrijk hierbij op te merken is dat zelfs wanneer de statuten in dergelijke mechanismen voorzien, de geschillenregeling nog steeds dwingend van toepassing zal zijn. Alhoewel de geschillenregeling conceptueel grondig verschilt van de buitengerechtelijke uittreding en uitsluiting(173) en er sprake zal moeten zijn van een voldoende zwaarwichtig conflict dat een gerechtelijke uittreding of uitsluiting kan rechtvaardigen, zijn er situaties denkbaar waarbij beide mechanismen dreigen te conflicteren(174).


a. Uittreding

30. Dwingende toepassing. De uittreding wordt in de rechtsleer omschreven als de eenzijdige rechtshandeling waarbij een aandeelhouder zijn vennootschapsverbintenis opzegt en zijn aandelen worden vernietigd(175). Een aandeelhouder wordt geacht met al zijn aandelen uit te treden, tenzij de statuten gedeeltelijke uittredingen mogelijk maken(176).

In tegenstelling tot onder het oude recht, zal het niet meer mogelijk zijn om in de CV statutair het uittredingsrecht uit te sluiten(177). Bijgevolg rijst de vraag in welke mate er nog ruimte is voor beperkingen of modaliteiten van het uittredingsrecht. Onder het oude recht werd immers aanvaard dat de statuten, naast de afschaffing van het uittredingsrecht op zich, verregaande beperkingen mochten opleggen aan een uittredende aandeelhouder. Voorbeelden in die sfeer zijn : de vereiste van toestemming van de raad van bestuur of de algemene vergadering(178), een verplichte opzegtermijn, een verbod om gedurende de eerste jaren van het lidmaatschap uit te treden, een maximumaantal uittredende aandeelhouders per boekjaar of de verplichting voor de uittredende aandeelhouder om een nieuwe aandeelhouder aan te brengen(179).

O.i. is er nog steeds ruimte voor dergelijke clausules. Niet alleen bepaalt de wet dat de statuten de modaliteiten van de uittreding regelen(180), maar ook dat het bestuur, in het kader van zijn verslaggevingsplicht (infra nr. 34), op de algemene vergadering verslag moet uitbrengen over "het aantal geweigerde verzoeken en de reden daarvoor"(181). Beperkingen zullen echter niet zodanig absoluut mogen zijn dat zij de facto iedere uittreding zouden verbieden, al zal het onderscheid tussen beide niet altijd eenvoudig te maken zijn(182). Clausules die aan het bestuursorgaan een discretionaire beoordelingsbevoegdheid toekennen, in het bijzonder in functie van de financiële situatie van de vennootschap(183), komen in de praktijk frequent voor(184). Zij lijken nog steeds mogelijk, mits deze beslissingen worden gemotiveerd zodat zij een latere toetsing mogelijk maken(185).

31. Eerste zes maanden boekjaar. Een andere wijziging die het WVV doorvoert, bestaat erin dat afgestapt wordt van het dwingende karakter van de regel dat aandeelhouders enkel mogen uittreden gedurende de eerste zes maanden van het boekjaar. Dit was een van de weinige dwingende regels in verband met de uittreding onder het oude recht, die werd verantwoord doordat een te grote veranderlijkheid in het aandeelhoudersbestand nefast zou zijn voor de stabiliteit van de vennootschap(186). De suppletieve regel blijft evenwel dat de uittreding enkel toegelaten is tijdens de eerste zes maanden van het boekjaar(187), waardoor uittredingen na de eerste zes maanden uitgesteld worden tot het begin van het volgende boekjaar(188).

Nieuw is verder dat de uittreding slechts uitwerking heeft op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar, en dus geen onmiddellijk effect voortbrengt. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de uittredende aandeelhouders nog stemrechten hebben op de algemene vergadering die de jaarrekening van het vorige boekjaar dient goed te keuren(189) en eventuele andere verplichtingen dienen na te komen die zij als aandeelhouder zouden hebben(190). De statuten kunnen echter afwijken van deze timing(191).

32. Enkel na derde boekjaar. Voortaan is de uittreding voor de oprichters enkel mogelijk vanaf het derde boekjaar na oprichting(192). Deze nieuwe regel is ingevoerd om problemen te vermijden bij de vaststelling van de oprichtersaansprakelijkheid, wat bij vrije uittreding gedurende de eerste drie jaar lastige bewijsproblemen zou opleveren bij faillissement(193). Het verbod geldt enkel voor oprichters, zodat later toetredende aandeelhouders hierdoor niet gebonden zijn.

33. Daling onder drie aandeelhouders. De rechtsleer en rechtspraak is het doorgaans eens dat de uittreding in beginsel mogelijk blijft wanneer dit tot gevolg heeft dat het aantal aandeelhouders daalt onder drie(194). In de praktijk is er echter een standaardclausule die bepaalt dat in dat geval aandeelhouders niet mogen uittreden(195). Het gebruik van dergelijke clausule valt aan te raden.

34. Verslaggeving. Een andere innovatie van het WVV is dat het bestuur jaarlijks op de gewone algemene vergadering verslag dient uit te brengen over de verzoeken tot uittreding. Dat verslag zal ten minste het aantal uitgetreden aandeelhouders, de soort aandelen waarmee zij zijn uitgetreden, de betaalde vergoeding, eventuele andere modaliteiten, het aantal geweigerde verzoeken en de redenen daarvoor moeten bevatten(196). Eventueel moet de identiteit van de uitgetreden aandeelhouders erbij worden vermeld indien de statuten daarin voorzien. Het totale aantal aandelen dat per einde boekjaar uitstaat, wordt vermeld in het jaarverslag of desgevallend neergelegd bij de jaarrekening(197).

Verder zal het bestuursorgaan het aandelenregister moeten bijwerken. De uittredingen van aandeelhouders, de datum waarop dit is gebeurd en de aan de betrokken aandeelhouders betaalde vergoeding zullen hierin vermeld moeten worden.

35. Het uittredingsrecht in de BV. Wat betreft de BV lopen de besproken principes volledig gelijk met de CV. Zoals al aangehaald is het grote verschilpunt dat het buitengerechtelijk uittredingsregime in de BV een optioneel regime is dat uitdrukkelijk in de statuten moet worden ingeschreven(198). Dat heeft tot gevolg dat het uittredingsrecht in de BV bijvoorbeeld kan worden toegekend aan een enkele soort aandeelhouders, in tegenstelling tot wat in de CV het geval is.

Enkel de verslaggevingsplichten en formaliteiten wijken licht af in de BV. Daar waar in de CV het bestuur in beginsel niet verplicht is om de identiteit van de uitgetreden aandeelhouders te vermelden, zal het bestuur in de BV wel de identiteit van de uitgetreden aandeelhouders dienen te vermelden(199).

Een belangrijker verschil is echter dat uittredingen in de BV in een authentieke akte moeten worden vastgesteld(200), wat bijkomende kosten voor de vennootschap met zich meebrengt. De verplichting gaat niet zover dat bij iedere uittreding een algemene vergadering moet samengeroepen worden om de statuten te wijzigen. Het is het bestuur zelf dat de statuten in overeenstemming moet brengen, waarbij het alle gedane uittredingen van het boekjaar kan bundelen in één enkele authentieke akte. De memorie stelt dat de jaarlijkse statutenwijziging cruciaal is om de statuten op dit punt ten behoeve van aandeelhouders en derden up-to-date te houden(201). De Raad van State maakte hieromtrent de terechte opmerking dat het in het licht van de 'flexibilisering' van de BV enigszins vreemd is dat deze verplichting, waarvan de afwezigheid in de CVBA in het verleden niet tot bijzondere problemen heeft geleid, niet tevens noodzakelijk werd geacht in de CV(202). De memorie verwijst enkel naar het afnemende belang van de CV onder het WVV, terwijl het in de standaardvennootschap (de BV) volgens de wetgever opportuun is om steeds in de statuten het correcte aantal aandelen vermeld te zien(203). Deze argumentatie waarbij de opportuniteit van een dergelijke regel wordt verdedigd naargelang het relatieve gebruik van een vennootschapsvorm komt ons eerder ongelukkig voor, nu een dergelijk verschilpunt voor bepaalde vennootschappen juist een mogelijke incentive zou kunnen uitmaken om voor de CV eerder dan voor de BV te opteren.


b. Uittreding van rechtswege

36. CV. Ongewijzigd blijft de regel dat in geval van overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen, vereffening of onbekwaamverklaring van een aandeelhouder van rechtswege geacht wordt uit te treden(204). Zoals de memorie correct aanstipt, is het voor rechtspersonen-aandeelhouders van belang dat deze regeling enkel geldt in geval van vereffening van de vennootschap, en niet bij de loutere ontbinding van de rechtspersoon-aandeelhouder(205). Bij een fusie of splitsing verkrijgt de nieuwe entiteit dan de aandelen in de CV en geen scheidingsaandeel. De statuten kunnen van de hier beschreven regeling afwijken, bijvoorbeeld door in geval van overlijden te bepalen dat de aandelen overgaan op de erfgenamen. De erfgenamen dienen dan wel aan de statutaire toetredingsvoorwaarden te voldoen en zullen conform artikel 6:54 WVV eerst door het bestuur dienen aanvaard te worden.

37. BV. Ook in de BV kunnen de statuten bepalen dat in de voorgenoemde gevallen een aandeelhouder van rechtswege uittreedt(206). Ook dergelijke uittredingen zullen door het bestuur eenmaal per boekjaar notarieel moeten worden vastgesteld(207).

Bijkomend te vermelden is het bestaan van de procedure in de BV voor het geval wanneer erfgenamen van een overleden aandeelhouder niet worden toegelaten tot de vennootschap(208). Het is in de BV voortaan mogelijk om statutair reeds op voorhand vast te leggen dat erfgenamen geen recht hebben op de waarde van de aandelen van de decujus, maar enkel op een scheidingsaandeel. Dit impliceert dat er ook qua waardebepaling een bijzonder grote statutaire vrijheid bestaat.

38. Verlies van hoedanigheid. Nieuw voor de coöperatieve is verder dat de statuten kunnen bepalen dat de aandeelhouder die niet langer beantwoordt aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden, geacht wordt op dat ogenblik van rechtswege uit te treden(209). Er mag echter worden aangenomen dat, zelfs indien de statuten dergelijke clausule niet bevatten, de aandeelhouder ook omwille van een wettige reden kan uitgesloten worden, aangezien niet langer voldoen aan de toetredingsvoorwaarden kan worden beschouwd als een schending van de statuten(210). In dat geval zal echter dwingend de uitsluitingsprocedure gevolgd moeten worden, zodat de meerwaarde van de clausule inzake verlies van hoedanigheid er vooral in bestaat dat er niet langer een beroep moet worden gedaan op de uitsluitingsprocedure.


c. Uitsluiting

39. Wettigereden. Met betrekking tot de uitsluiting doen zich relatief weinig veranderingen voor. In de CV kan zoals voorheen de uitsluiting niet statutair beperkt worden. De uitsluiting dient te gebeuren wegens een 'wettige reden', wat o.i. dezelfde betekenis heeft als het begrip 'gegronde reden' uit het W.Venn.(211). Dit veronderstelt "een schending van de statuten, de wettelijke bepalingen betreffende de coöperatieve vennootschappen (bijvoorbeeld in het geval van stilzwijgen van de statuten) of om het even welk feit (bijvoorbeeld de schending van een andere wet) die allen zo ernstig zijn dat het behoud van de betrokken persoon als vennoot voor een redelijk persoon ondenkbaar is of alleszins bijzonder onwenselijk of ongepast voorkomt"(212). Net zoals in de geschillenregeling in de NV en BV wordt doorgaans aangenomen dat bewijs van een aan de aandeelhouder toerekenbare fout niet noodzakelijk is en dat de onenigheid tussen aandeelhouders die de normale werking van de vennootschap compleet onmogelijk maakt voldoende is om een bepaalde aandeelhouder uit te sluiten(213). De daadwerkelijke hinder voor de werking van de vennootschap zal echter voldoende zwaarwichtig moeten zijn, waarbij de uitsluiting uiteindelijk dient getoetst te worden aan het vennootschapsbelang(214).

40. Statutaire uitsluitingsgronden. Ongewijzigd is verder dat de statuten in bijkomende uitsluitingsgronden kunnen voorzien. Ook in dit geval blijft nog steeds een uitsluiting wegens wettige redenen mogelijk(215). Statuten verwijzen echter frequent naar een intern reglement om bijkomende uitsluitingsgronden te bepalen(216). Onder het oude recht bestond er discussie over de geldigheid van uitsluitingen die gebaseerd waren op redenen die enkel in het intern reglement voorkwamen(217). Sinds de introductie van het WVV heeft het intern reglement daarentegen een wettelijke basis(218). Het is dus duidelijk dat indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, interne reglementen bijkomende uitsluitingsgronden kunnen bevatten.

41. Procedure. Ook qua procedure zijn er geen bijzondere wijzigingen. Een modernisering is wel dat de communicatie tussen de vennootschap en de aandeelhouder, waaronder het gemotiveerde voorstel tot uitsluiting, voortaan via e-mail kan gebeuren indien de aandeelhouder een e-mailadres heeft meegedeeld aan de vennootschap(219).

In de CV is in beginsel nog steeds de algemene vergadering bevoegd om uitsluitingen uit te spreken, tenzij er een ander orgaan in de statuten wordt aangewezen(220). Net zoals in het huidige recht heeft de geviseerde aandeelhouder het recht om binnen de maand zijn opmerkingen te kennen te geven, en beschikt hij over het recht om gehoord te worden. Het besluit tot uitsluiting moet nog steeds gemotiveerd worden, en dient door het bestuur binnen vijftien dagen te worden meegedeeld aan de uitgesloten aandeelhouder.

In tegenstelling tot de uittreding, is de uitsluiting wel mogelijk tijdens de eerste drie boekjaren en ook na de eerste zes maanden van het boekjaar(221). Verder is er in geval van uitsluiting ook geen verslaggevingsplicht voor het bestuur op de algemene vergadering. In beginsel is het immers de algemene vergadering zelf die tot de uitsluiting zal besloten hebben, al zal er ook geen verslaggevingsplicht bestaan wanneer het bestuur bevoegd is om tot uitsluiting over te gaan. Het bestuur hoeft enkel het aandelenregister bij te werken.

42. Uitsluiting in de BV. Net zoals de uittreding kan er ook in de BV statutair voor worden geopteerd om de buitengerechtelijke uitsluitingsprocedure ten laste van het vennootschapsvermogen in te lassen. Toch zijn er enkele verschilpunten. Vooreerst lijkt het o.i. door het suppletieve karakter van de regeling in de BV wel mogelijk om de uitsluitingsgronden restrictief op te lijsten in de statuten, zonder tevens een buitengerechtelijke uitsluiting wegens andere wettige reden toe te laten(222). De procedurele aspecten die tijdens het uitsluitingsproces in acht moeten worden genomen en die vervat liggen in artikel 5:155 WVV, blijven echter wel dwingend van aard. Een belangrijk verschil met de CV in dit opzicht is dat in de BV enkel de algemene vergadering bevoegd is om tot uitsluiting over te gaan(223) en dat per boekjaar een statutenwijziging nodig zal zijn(224).


d. Gevolgen van de uittreding en uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen

43. Principe. Uitgetreden of uitgesloten aandeelhouders kunnen de vereffening van de vennootschap niet vorderen(225). Zij hebben enkel recht op een scheidingsaandeel als tegenwaarde voor hun aandelen. Vermits het scheidingsaandeel in de suppletieve regeling niet langer wordt verbonden aan de resultaten van het lopende boekjaar(226), menen wij dat in de suppletieve regeling de verlatende aandeelhouder in principe geen recht heeft op dividenden voor het lopende boekjaar(227).


(1) De waardering van het scheidingsaandeel

44. Waardering : suppletieve regeling. Onder het oude recht was niet volledig duidelijk hoe het scheidingsaandeel diende gewaardeerd te worden. Volgens de meerderheidsopvatting kwam het scheidingsaandeel overeen met de nettoactiefwaarde van het aandelenpakket van de verlatende aandeelhouder(228).

In het WVV wordt de waarderingsmethode van het scheidingsaandeel voor het eerst duidelijk geregeld. Indien de statuten geen afwijkende regeling voorzien, wordt het scheidingsaandeel voortaan begroot op de werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde(229) inbrengwaarde, tenzij de nettoactiefwaarde van de laatst goedgekeurde jaarrekening lager zou zijn(230). Dit is dus een betrekkelijk lagere waardering dan degene die gold volgens de meerderheidsopvatting onder het vroegere recht(231). Belangrijk om te nuanceren is evenwel de vaststelling dat onder het vroegere recht de nettoactiefwaarde eerder uitzondering dan regel was, omdat de statuten in de praktijk zeer vaak een beperkter scheidingsaandeel toekenden(232). Waarschijnlijk heeft de wetgever zich dan ook geïnspireerd op de bestaande gebruiken in 'eigenlijke' CV's waar de winstdeelname van de aandeelhouders niet vooropstaat, of professionele vennootschappen waar het merendeel van de winst per boekjaar onder de aandeelhouders wordt uitgekeerd. Toch lijkt in de doorsnee BV, waarbij het merendeel van de gemaakte winsten wordt opgepot, een dergelijk scheidingsaandeel als suppletieve regel wel erg mager(233). Dit in het bijzonder in vergelijking met de gebruikelijke waarderingen in de geschillenregeling of bij aandelenoverdrachten(234). Doordat de BV-statuten uitdrukkelijk de mogelijkheid tot uittreding of uitsluiting moeten bevatten, staat men idealiter grondig stil bij de mogelijke vergaande pecuniaire gevolgen voor vertrekkende aandeelhouders (al geldt dit uiteraard evenzeer voor CV's).

Een andere opmerkelijke vaststelling is dat niet langer de balans van het boekjaar waarin het aandeelhouderschap ten einde komt als berekeningsbasis wordt gebruikt, wat nochtans één van de weinige dwingende regels was onder het oude recht over het scheidingsaandeel(235). De huidige werkwijze heeft als voordeel dat er sneller tot uitbetaling kan worden overgegaan doordat niet langer moet gewacht worden op de goedkeuring van de jaarrekening van het lopende boekjaar. Dit laatste had als gevolg dat er in het verleden meer dan een jaar kon verstrijken tussen de uittreding en de uitbetaling van het scheidingsaandeel. Nadeel van deze regeling is dan weer dat bij oplopende verliezen van het lopende boekjaar, deze verliezen niet in rekening worden gebracht bij een zogenaamde 'rush to exit'. Dit was dan ook de reden waarom men onder het vroegere recht was afgestapt van deze berekeningsbasis(236). Indien de vennootschap ten gevolge van de uitbetalingen in betalingsmoeilijkheden zou geraken, worden de uitbetalingen ingevolge de uitkeringsbeperkingen echter opgeschort(237).

45. Statutaire modulering van het scheidingsaandeel. De statuten kunnen verregaand afwijken van de voormelde principes, door bijvoorbeeld te bepalen dat het scheidingsaandeel overeenkomt met de volledige (al dan niet geherwaardeerde) nettoactiefwaarde of zelfs met de reële economische waarde. Ook afwijkingen in functie van de wijze van verlaten zijn mogelijk, door bijvoorbeeld een kleiner scheidingsaandeel toe te kennen in geval van uitsluiting(238). De meerderheid van de rechtsleer en rechtspraak gaat zelfs zo ver te stellen dat het recht op een scheidingsaandeel volledig kan worden uitgesloten(239).


(2) Eisbaarheid

46. Uitkeringsbeperkingen. De betaling van het scheidingsaandeel is een uitkering door de vennootschap aan een aandeelhouder, waardoor de uitkeringsbeperkingen in het kader van de vermogensinstandhouding van de vennootschap van toepassing zijn(240). Het onderscheid tussen het vast en variabel kapitaal uit de CVBA bestaat thans niet langer door de afschaffing van het kapitaalconcept in zijn geheel(241).

47. Balanstest. Onder het W.Venn. was de uitbetaling van het scheidingsaandeel slechts aan één uitkeringstest onderworpen. De uitbetaling van het scheidingsaandeel mocht niet tot gevolg hebben dat het nettoactief kon dalen onder het statutaire vast kapitaalgedeelte(242). Deze balanstest wordt onder het WVV behouden, weliswaar in vereenvoudigde vorm. Voortaan wordt enkel vereist dat het totale nettoactief(243) ten gevolge van de uitbetaling niet negatief zou worden, waardoor er met andere woorden geen uitbetaling kan gebeuren indien de vennootschap een boekhoudkundig tekort heeft(244). Indien de statuten een deel van het vermogen als onbeschikbaar aanmerken, dan mag de uitbetaling niet tot gevolg hebben dat het nettoactief onder het bedrag van het overeenkomstig onbeschikbaar vermogen daalt. Volgens het overgangsrecht wordt het vast kapitaalgedeelte van de bestaande CVBA's tot een statutair onbeschikbare reserve omgevormd (zie daarover meer uitgebreid infra nr. 71).

48. Liquiditeitstest. Het wegvallen van het vast kapitaalgedeelte zorgt voor een zekere versoepeling bij de uitbetaling van het scheidingsaandeel. Dit wordt echter gecompenseerd door een tweede uitkeringstest, de liquiditeitstest(245). Het bestuursorgaan zal bij een uitkering moeten vaststellen dat de vennootschap, volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, na de uitkering in staat zal blijven haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden over een periode van ten minste twaalf maanden te rekenen van de datum van de uitkering. Het besluit wordt vermeld in een verslag, dat niet moet worden neergelegd(246). Het bestuursorgaan krijgt dus de verantwoordelijkheid om bijkomend een liquiditeitsbeoordeling te maken. De liquiditeitstest mag niet worden verward met statutaire clausules die bepalen dat de uittreding van een aandeelhouder onderworpen is aan een beoordeling door het bestuur : in dat geval zal bij een negatieve beoordeling de aandeelhouder immers niet uitgetreden zijn en blijft hij aandeelhouder, daar waar de liquiditeitstest slechts betrekking heeft op de uitbetaling van het scheidingsaandeel wanneer de aandeelhouder zijn hoedanigheid al onherroepelijk heeft verloren.

De vennootschap kan elke uitkering die in strijd met de balans- of liquiditeitstest is verricht van de aandeelhouders terugvorderen, dit ongeacht hun goede of kwade trouw(247). Dit moet logischerwijze ook gelden voor scheidingsaandelen die met miskenning van een of beide testen zijn uitbetaald aan gewezen aandeelhouders, aangezien scheidingsaandelen uitdrukkelijk als een uitkering worden gekwalificeerd. De oude regel omtrent de vijfjarige aansprakelijkheid van verlatende aandeelhouders wordt afgeschaft(248).

Indien ten gevolge van de balans- of liquiditeitstest komt vast te staan dat het scheidingsaandeel niet of slechts gedeeltelijk kan worden uitgekeerd, dan wordt de betaling van het scheidingsaandeel opgeschort tot wanneer er voldoende uitkeerbare ruimte is(249). Dit was reeds onder het W.Venn. het geval(250), maar voortaan wordt ook duidelijk vermeld dat er geen andere uitkeringen mogen plaatsvinden alvorens de opeisbare scheidingsaandelen worden uitbetaald. Op de opgeschorte bedragen is geen interest verschuldigd.

49. Betalingstermijn. Voortaan zijn regels i.v.m. de eisbaarheid van het scheidingsaandeel in het wetboek opgenomen. Zoals reeds aangehaald zullen in principe alle gedane uittredingen pas uitwerking krijgen op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar. Vanaf dit tijdstip moet het scheidingsaandeel binnen ten laatste een maand worden uitbetaald(251). De statuten kunnen hiervan echter afwijken, wat bijvoorbeeld noodzakelijk zal zijn wanneer het scheidingsaandeel wordt berekend op basis van het lopende boekjaar.

In geval van uittreding van rechtswege, verlies van hoedanigheid of uitsluiting hoeft o.i. niet gewacht te worden tot de zesde maand van het boekjaar om tot uitbetaling over te gaan. Ook dient de betaling volgens ons niet noodzakelijkerwijs plaats te vinden voor de laatste dag van de zevende maand van het boekjaar. Hoewel de verwijzingen in het WVV aangeven dat (i) de uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid en de uitsluiting pas uitwerking hebben op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar; en (ii) het scheidingsaandeel naar aanleiding van die gebeurtenissen ten laatste de laatste dag van de zevende maand(252) van het boekjaar moet worden betaald(253), kan deze bepaling in de praktijk moeilijk toepassing vinden. De uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid en de uitsluiting kunnen immers tijdens het volledige boekjaar plaatsvinden, ook na de zesde maand van het boekjaar(254). Bijgevolg hoeven zij, anders dan de uittreding (supra nr. 31), nooit te worden geacht in het volgende boekjaar te zijn gedaan. Dit impliceert dat de uitwerking van de uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid of de uitsluiting op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar en de uitbetaling van het scheidingsaandeel voor de laatste dag van de zevende maand van het boekjaar niet steeds mogelijk zullen zijn. Enerzijds zouden de uittredingen van rechtswege, verliezen van hoedanigheid en uitsluitingen die plaatsvinden na de eerste zes maanden van het boekjaar een retroactieve uitwerking moeten krijgen, wat niet mogelijk is. Anderzijds zouden de uittredingen van rechtswege, verliezen van hoedanigheid en uitsluitingen die zich manifesteren na de zevende maand van het boekjaar ook nooit in overeenstemming kunnen zijn met de vereiste van de wet(255). Wij zijn de mening toegedaan dat de wetgever onvoldoende heeft stilgestaan bij de interactie tussen de niet-toepasselijkheid van artikel 6:120, § 1, lid 2, 2° WVV en de toepasselijkheid van artikel 6:120, § 1, lid 2, 4° WVV voor de uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid en de uitsluiting. O.i. volgt uit de aard van de uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid en de uitsluiting, alsook uit de bewoordingen van artikelen 6:121, lid 1 en 6:122, lid 1 WVV(256), dat deze gebeurtenissen onmiddellijk uitwerking dienen te krijgen, ook wanneer zij zouden plaatsvinden tijdens de eerste zes maanden van het boekjaar. Een dergelijke werkwijze komt niet enkel tegemoet aan de in deze alinea geschetste praktische bezwaren tegen de toepassing van artikel 6:120, § 1, lid 2, 4° WVV bij het verlaten van de CV tijdens het tweede deel van het boekjaar, maar is ook in lijn met de buitenwerkingstelling van artikel 6:120, § 1, lid 2, 2° WVV door artikelen 6:121, lid 2; 6:122, lid 2 en 6:123, § 3, lid 1 WVV (waardoor het verlaten van de vennootschap het volledige boekjaar "tijdig" is). Het tweede deel van de vereiste gesteld in artikel 6:120, § 1, lid 2, 4° WVV zou dan zo kunnen worden geïnterpreteerd dat de betaling van het scheidingsaandeel ten laatste één maand na de uitwerking van de uittreding van rechtswege, het verlies van hoedanigheid of de uitsluiting dient te geschieden. Het valt evenwel aan te raden een en ander statutair te verduidelijken.


D. Een soepelere algemene vergadering

1. Algemene vergadering

50. Bijeenroeping algemene vergadering. Op het vlak van de organisatie van de algemene vergadering zijn er enkele kleine wijzigingen in vergelijking met de BV op te merken, die voornamelijk neerkomen op versoepelingen van de analoge BV-regels. Zo moet de agenda van de algemene vergadering in beginsel 15 dagen op voorhand worden gecommuniceerd aan de aandeelhouders overeenkomstig artikel 2:32 WVV, maar kunnen in de CV de statuten of een intern reglement hiervan afwijken(257). Verder is het niet vereist dat iedere aandeelhouder alle relevante stukken dient te ontvangen, daar waar dit in de BV dwingend dient te gebeuren(258).


2. Statutenwijziging

51. Procedurele afwijkingen. Ook op het vlak van de statutenwijziging wordt de CV gekenmerkt door een bijkomende flexibiliteit ten opzichte van de BV : de statuten kunnen afwijken van het vereiste quorum om tot statutenwijziging over te gaan, evenals de procedure en quorum bij een eventuele tweede bijeenroeping(259). Deze mogelijkheid om statutair af te wijken van de vereiste statutaire meerderheden en procedures gelden evenzeer voor de wijziging van het voorwerp en doel van de vennootschap, en specifiek voor de CV, voor wijziging van de coöperatieve finaliteit of waarden van de vennootschap(260). Deze uitzonderingen zijn gericht op CV's met een groot aandeelhoudersbestand(261).


E. De bijzondere positie van het intern reglement

52. Begrip. Interne reglementen(262) komen in de praktijk regelmatig voor, in het bijzonder in CV's en professionele samenwerkingsverbanden(263). Dergelijke reglementen kenden tot voorheen geen wettelijke basis. De belangrijkste reden om zaken te regelen in een intern reglement en niet in de statuten, is ongetwijfeld de afwezigheid van openbaarmaking waardoor bepaalde, soms delicate afspraken niet bekendgemaakt dienen te worden aan de buitenwereld(264). Een andere drijfveer is de kostenbesparing vermits men in een intern reglement eenvoudiger afspraken kan maken en wijzigen zonder notariële tussenkomst.

Interne reglementen zijn besluiten uitgevaardigd door een vennootschapsorgaan (nl. het bestuur of de algemene vergadering), waardoor zij onderscheiden dienen te worden van aandeelhoudersovereenkomsten(265). De uitwerking en gevolgen van een intern reglement zijn dan ook verregaander : anders dan aandeelhoudersovereenkomsten binden zij ook de vennootschap en de vennootschapsorganen(266).

Vroeger kon aangenomen worden dat, met uitzondering van de dwingende vermeldingen in de oprichtingsakte van de vennootschap, interne reglementen op grond van de contractsvrijheid materies konden regelen die van het suppletieve recht afweken, op voorwaarde dat in de statuten van de vennootschap uitdrukkelijk en voldoende getailleerd werd verwezen naar het bestaan van een intern reglement(267). Indien dergelijke statutaire verwijzing ontbrak, dan konden afwijkingen van het suppletieve recht daarin niet geregeld worden. Een besluit van de vennootschap (nl. het intern reglement) kan immers geen zaken beslissen die tot de bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering behoren(268).

53. Algemene regeling in het WVV. Voortaan wordt in artikel 2:59 WVV bepaald onder welke voorwaarden het bestuur interne reglementen kan uitvaardigen. De statuten moeten hen deze bevoegdheid uitdrukkelijk toekennen, net zoals dit onder het oude recht werd aangenomen(269). Belangrijker is dat voortaan uitdrukkelijk wordt geregeld welke materies interne reglementen mogen bevatten, of beter : welke zij niet mogen bevatten. De draagwijdte van een intern reglement is eerder beperkt : een intern reglement mag geen bepalingen bevatten die strijdig zijn met dwingende wetsbepalingen of de statuten, maar mag ook geen bepalingen bevatten waarvoor het WVV een statutaire bepaling vereist, noch bepalingen die raken aan de rechten van de aandeelhouders, de bevoegdheid van de organen, of de organisatie en de werkwijze van de algemene vergadering(270).

Deze wettelijke verankering heeft potentieel verstrekkende gevolgen : daar waar de inhoudelijke draagwijdte vroeger vrij ruim kon zijn, is deze nu sterk beperkt. Enerzijds geeft het WVV veel vaker uitdrukkelijk aan wanneer de statuten kunnen afwijken van een suppletieve regel, waarvoor dus onbetwistbaar een statutaire bepaling vereist is om van de regel af te wijken. Anderzijds is de derde voorwaarde, in het bijzonder omtrent bepalingen die 'raken aan de rechten van de aandeelhouders', erg ruim geformuleerd(271)(272).

54. Uitzondering in de CV. Voor de CV maakt het WVV een uitzondering, waardoor interne reglementen een uitgebreidere rol kunnen toebedeeld krijgen. In de CV kan een intern reglement bijkomende en aanvullende bepalingen bevatten over de rechten van de aandeelhouders en de werking van de vennootschap, met inbegrip van materies waarvoor een statutaire bepaling vereist is, of bepalingen die raken aan de rechten van de aandeelhouders, de bevoegdheid van de organen, of de organisatie en de werkwijze van de algemene vergadering(273). Zo zou een intern reglement bijvoorbeeld de waardebepaling van het scheidingsaandeel, bijkomende uitsluitingsgronden of bijeenroepingsformaliteiten van de algemene vergadering kunnen bevatten(274). Deze versoepeling voor de CV sluit aan bij bestaande gebruiken, aangezien in CV's interne reglementen relatief vaak worden gebruikt. Een uitdrukkelijke verantwoording voor de bijkomende soepelheid specifiek voor de CV, wordt evenwel niet gegeven in de parlementaire voorbereiding(275).

Belangrijk te benadrukken is dat ook in de CV de statuten nog steeds uitdrukkelijk moeten verwijzen naar de mogelijkheid om dergelijk intern reglement op te stellen(276). Ook behoeft het intern reglement zelf nog steeds de goedkeuring van de algemene vergadering met statutaire meerderheid(277). O.i. is dit ook het geval bij latere wijzigingen daaraan(278). Interne reglementen kunnen dus niet aangewend worden om de instemming van de algemene vergadering te omzeilen(279).

Zowel in de CV als in andere vennootschappen moeten het intern reglement en latere eventuele wijzigingen (in beginsel via e-mail) worden meegedeeld aan de aandeelhouders, en de statuten zelf dienen ook nog steeds uitdrukkelijk te verwijzen naar de laatst goedgekeurde versie(280). Het bestaan, maar niet de inhoud, van een intern reglement blijkt dus steeds uit de statuten.


F. Het duaal systeem van de erkenningen 1. Erkende CV's

55. Erkende CV's. In tegenstelling tot het W.Venn., refereert het WVV uitdrukkelijk aan de mogelijkheid voor CV's om zich te laten erkennen als erkende CV(281). Artikel 8:4, lid 1 WVV bepaalt in dat opzicht dat een CV "wiens voornaamste doel erin bestaat om haar aandeelhouders een economisch of sociaal voordeel te verschaffen ter bevrediging van hun beroeps- of persoonlijke behoeften kan worden erkend". Het betreft een erkenning in de zin van artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming (hierna : NRC-wet)(282). De coöperatieve beginselen die vervat liggen in artikel 5 van de NRC-wet en de modaliteiten van de erkenningsprocedure worden verder gespecificeerd in het KB van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen (hierna : KB '62)(283). CV's die aan de hieronder beschreven erkenningsvoorwaarden voldoen, kunnen via ministerieel besluit voor een onbepaalde duur erkend worden door de minister bevoegd voor economische zaken(284). De erkenning van een CV geldt zolang de CV aan de erkenningsvoorwaarden blijft voldoen(285). De bestuurders van de erkende CV worden wel geacht elk jaar een bijzonder verslag op te stellen over de wijze waarop de vennootschap toezicht houdt op de erkenningsvoorwaarden(286). Indien een vennootschap zich zou profileren als erkende CV hoewel zij geen erkenning heeft verkregen, dan kan de ondernemingsrechtbank op verzoek van de minister bevoegd voor economie, het openbaar ministerie of elke belanghebbende de ontbinding uitspreken van die vennootschap(287). Als een CV een erkenning verkrijgt, dan kan zij zich laten vertegenwoordigen in de Nationale Raad voor Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming (hierna kortweg : NRC)(288)(289). De NRC is het vertegenwoordigingsorgaan van de coöperatieve sector dat onder meer tot doel heeft "het ideaal van de coöperatie" te verspreiden(290). De verkrijging van een erkenning brengt ook enkele voordelen met zich mee, dewelke wij hieronder in kaart brengen. In het begin van 2019 waren er in België 677 erkende CV's en erkende groeperingen van CV's(291).

56. De erkende CVSO. Er dient opgemerkt te worden dat de CV in het WVV de enige rechtsvorm is die, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden(292), kan worden erkend als sociale onderneming (SO)(293). Het gevolg van dit tweede erkenningssysteem voor coöperatieven is dat het duaal systeem van de CV en de erkende CV verder wordt aangevuld met een tweede "sociale" erkenningsoptie voor beide varianten, waardoor het volgende kwartet ontstaat : de CV, de erkende CV, de CV erkend als SO en de erkende CVSO.


a. Erkenningsvoorwaarden

(1) Een open karakter

57. Open toetreding en gelimiteerde uitsluiting. Opdat een CV erkend zou kunnen worden dient de toetreding tot de vennootschap vrijwillig en open te zijn(294). Voorts mag de CV de toetreding van aandeelhouders(295) niet weigeren of de uitsluiting niet uitspreken, tenzij de betrokkenen (i) niet of niet langer aan de algemene statutaire toelatingsvoorwaarden voldoen; of (ii) daden verrichten die in strijd zijn met de belangen van de vennootschap(296). Erkende CV's hoeven dus zeker niet iedereen te laten toetreden, maar moeten de gehanteerde toetredingsvoorwaarden wel nauwkeurig omschrijven in de statuten(297). Indien de erkende CV een uitsluiting uitspreekt of een toetreding weigert, moeten de objectieve redenen van de uitsluiting of weigering tot toetreding worden medegedeeld aan de betrokkene die daarom verzoekt(298). Vroeger vermeldde het KB '62 expliciet dat de CV de toetreding of uitsluiting niet uit speculatieve overwegingen mocht weigeren of uitspreken(299). Thans is dit niet langer het geval. Het lijkt ons evenwel dat ook de huidige bewoordingen van de erkenningsvoorwaarde zich verzetten tegen een speculatieve weigering van toetreding of beslissing tot uitsluiting.

(2) Niet meer dan tien procent van de stemrechten

58. Beperkt meervoudig stemrecht. In afwijking van de suppletieve wettelijke regeling die voorschrijft dat aan elk aandeel één stem toekomt, verlangt de NRC-wet dat een erkende CV in de algemene vergadering een gelijk stemrecht (elke aandeelhouder één stem) toekent aan haar aandeelhouders of minstens het stemrecht ter algemene vergadering beperkt(300). Ter invulling van deze erkenningsvoorwaarde stelt het KB '62 een eenvoudige regel voorop : alle aandeelhouders van een erkende CV genieten in beginsel in alle zaken een gelijk stemrecht ter algemene vergadering, ongeacht het aantal aandelen dat zij bezitten(301). Van dit principe mag statutair worden afgeweken voor zover het aantal stemmen dat een aandeelhouder kan uitbrengen, persoonlijk of als gevolmachtigde, niet hoger ligt dan tien procent van de stemrechten verbonden aan de aanwezige en de vertegenwoordigde aandelen(302). In een erkende CV mag geen enkele aandeelhouder ter algemene vergadering dus beschikken over meer dan tien procent van de stemkracht. Het KB '62 stelt evenwel dat er in de tweede graad mag worden gestemd indien de vennootschap meer dan duizend aandeelhouders telt(303). Over de concrete toepassing van deze bepaling heeft wet- noch besluitgever verdere consignes meegegeven. Blijkens de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie zal de FOD bij de toetsing van de erkenningsvoorwaarden toelaten dat een CV die minstens duizend leden telt verschillende deelvergaderingen in het leven roept(304). Die deelvergaderingen verkiezen dan een afgevaardigde (stemming in de eerste graad) die hen zal vertegenwoordigen op de algemene vergadering van de vennootschap (stemming in de tweede graad). Uit de praktijk blijkt dat de beperking op het meervoudig stemrecht slechts geldt voor de stemming in de eerste graad(305). Hoe de vennootschap zich in de statuten dan praktisch organiseert met betrekking tot de stemming door de afgevaardigden op de algemene vergadering blijkt van geen tel om een erkenning te verkrijgen.

(3) Gelijke rechten en plichten per aandelensoort

59. Gelijke rechten en plichten per aandelensoort. Zoals hogermeer uitvoerig werd beschreven, kan men in de CV verschillende soorten van aandelen in het leven roepen(306). Het KB '62 bepaalt in dat kader het volgende : "de aandelen van het maatschappelijk kapitaal, zelfs al zijn ze van ongelijke waarde, binnen iedere waardecategorie, scheppen gelijke rechten en verplichtingen, [behoudens hetgeen bepaald in de erkenningsvoorwaarde aangaande het stemrecht ter algemene vergadering]"(307). Terminologisch vertoont deze erkenningsvoorwaarde een aantal onzuiverheden. Ten eerste valt de notie "maatschappelijk kapitaal" sinds de inwerkingtreding van het WVV nog moeilijk te hanteren in de sfeer van de CV(308). Ten tweede lijkt de besluitgever met de term "waardecategorie" te refereren aan wat vroeger dikwijls "aandelencategorie" werd genoemd, maar sinds de inwerkingtreding van het WVV terminologisch accurater kan worden aangeduid als "aandelensoort"(309). De betekenis van de hier beschreven erkenningsvoorwaarde is dat, afgezien van de supra geanalyseerde beperkingen op het stemrecht ter algemene vergadering (bijvoorbeeld één stem per aandeelhouder), de aandelen per aandelensoort gelijke rechten en plichten moeten behelzen. Een algemene beperking van de winstrechten per aandeelhouder kan, anders dan wat het geval is voor de stemrechten, dus bijvoorbeeld niet worden opgelegd binnen een erkende CV.

(4) Benoeming bestuurders en commissarissen door algemene vergadering

60. Benoemingen door de algemene vergadering. Opdat een CV erkend zou kunnen worden dienen de bestuurders en de commissaris te worden benoemd door de algemene vergadering(310). Een en ander belet evenwel niet dat statutaire bestuurders kunnen worden benoemd, op voorwaarde dat de statuten ook vastleggen dat de algemene vergadering de benoeming kan herroepen(311). Als de raad van bestuur (of een beperkte groep van aandeelhouders) bestuurders of commissarissen benoemt, dan heeft de algemene vergadering het recht om zich tegen deze benoemingen te verzetten(312). Technisch verschilt dit recht om zich te verzetten van het recht om een benoeming niet te bekrachtigen, waarover de algemene vergadering vroeger beschikte(313).

(5) Geen deelname in de winst voor de bestuurders

61. Onbezoldigde bestuursmandaten ? Het KB '62 stelt dat het mandaat van de bestuurders en de controlerende aandeelhouders in beginsel onbezoldigd is(314). Zolang de vergoeding van de bestuurders echter wordt bepaald door de algemene vergadering en niet de vorm aanneemt van een deelname in de winst, mag een bezoldiging worden toegekend aan de bestuurders (en de controlerende aandeelhouders)(315).

(6) Een beperkt dividend, eventueel aangevuld met een ristorno

62. Beperkte dividenduitkering. Om erkend te kunnen worden mag het door de CV uitgekeerde dividend op het eigen vermogen van de vennootschap(316) niet hoger zijn dan zes procent van de nominale waarde van de aandelen, na aftrek van de roerende voorheffing(317). In tegenstelling tot wat vroeger het geval was, schrijft het KB '62 niet langer voor dat de statuten van een erkende CV moeten refereren aan een ristorno voor de aandeelhouders(318). Ook de NRC-wet bepaalt nog slechts in de meest ruime bewoordingen dat de statuten van een erkende CV moeten voorzien in "de modaliteiten van de economische deelname van leden"(319). Voor zover de erkende CV evenwel zou besluiten om een ristorno uit te keren(320), kan dit enkel pro rata de verrichtingen die de vennoten met de vennootschap hebben gedaan(321). Blijkens het WVV zijn de uitkeringen die een erkende CV doet in weerwil van de hoger omschreven beperkingen nietig(322).

(7) Voldoen aan de behoeften van de aandeelhouders als voornaamste doel

63. Voordeel verschaffen aandeelhouders.Supra werd uitvoerig toegelicht dat het voornaamste doel van iedere CV erin moet bestaan (i) aan de behoeften van haar aandeelhouders te voldoen; (ii) aan de behoeften van derde belanghebbende partijen te voldoen; (iii) de economische en sociale activiteiten van aandeelhouders te ontwikkelen; of (iv) de economische en sociale activiteiten van derde belanghebbende partijen te ontwikkelen. Opdat een CV een erkenning zou kunnen verkrijgen worden evenwel stringentere voorwaarden gesteld. Het voornaamste doel van een erkende CV moet er immers in bestaan om de aandeelhouders een economisch of sociaal voordeel te verschaffen ter bevrediging van hun beroeps- of persoonlijke behoeften(323). Vermits in deze erkenningsvoorwaarde niet wordt gerefereerd aan de behoeften van derde belanghebbende partijen, is deze vereiste een stuk minder breed dan de voorwaarde gesteld in de begripsomschrijving van de CV. Desalniettemin komt het ons voor dat het verschaffen van een economisch of sociaal voordeel ter voldoening van de behoeften van de aandeelhouders ook bij zeer veel niet coöperatief geïnspireerde vennootschappen het voornaamste doel zal zijn, wat de effectiviteit van deze erkenningsvoorwaarde in belangrijke mate ondergraaft. De hier beschreven erkenningsvoorwaarde geldt overigens niet voor CV's "met een sociaal oogmerk"(324). Aangenomen mag worden dat deze onaangepaste verwijzing thans sociale ondernemingen viseert.

(8) Informatieverstrekking en opleiding

64. Informatieverstrekking. Het KB '62 bepaalt finaal dat een deel van de jaarlijkse inkomsten van de CV dient te worden voorbehouden voor informatieverstrekking aan en opleiding van haar huidige of potentiële leden of het grote publiek(325).


b. Voordelen van de erkenning

65. Cooperative branding. Het voornaamste voordeel van de verkrijging van een erkenning bestaat er wellicht in dat een CV zich extern kan profileren als zijnde een vennootschap die functioneert in lijn met de coöperatieve beginselen. Deze cooperative branding manifesteert zich onder meer in de benaming van de rechtsvorm waaraan het predicaat "erkend" wordt toegevoegd(326) en de mogelijkheid om het logo der erkende coöperatieven te hanteren(327). Zoals wij in deze bijdrage uitvoerig hebben beschreven, verlangt het voormalige noch het huidige wettelijk kader dat vennootschappen die de CV-rechtsvorm aannemen, functioneren op basis van de coöperatieve beginselen. Gesteld dat dit wel zo zou zijn (quod non), dan zou er geen noodzaak bestaan voor erkende CV's om zich via cooperative branding te profileren als vennootschappen die handelen in functie van de coöperatieve beginselen. Het loutere aannemen van de coöperatieve rechtsvorm zou daarvoor in dit scenario immers al volstaan.

66. Geldelijke voordelen. Naast cooperative branding zijn er een aantal beperkte (geldelijke) voordelen verbonden aan de verkrijging van een erkenning. Ten eerste worden de door erkende CV's aan natuurlijke personen uitgekeerde dividenden uitgesloten uit het totale bedrag van de belastbare winst van de CV(328), althans voor het gedeelte van die dividenden dat niet meer bedraagt dan een (geïndexeerd) bedrag van 190 euro (aanslagjaar 2019) per natuurlijke persoon(329). Ten tweede worden erkende CV's nooit uitgesloten van het verlaagd belastingtarief voor vennootschappen. Vennootschappen die krachtens het WVV als kleine vennootschappen worden aangemerkt(330) genieten een verlaagd tarief (20 procent) op de eerste schijf van 0 tot 100.000 euro(331). Voor een aantal specifiek omschreven gevallen speelt dit verlaagd belastingtarief niet(332). Als het in deze gevallen evenwel om een erkende CV gaat, dan speelt, als uitzondering op de uitzondering, het verlaagd tarief alsnog(333). Ten derde kunnen de interesten op geldleningen verstrekt aan erkende CV's fiscaal niet worden geherkwalificeerd als dividenden(334). Ten vierde is de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet) van toepassing op de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen loon (anders dan kost en inwoon), hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheer of de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen(335). Erkende CV's worden in dit kader expliciet genoemd(336), wat impliceert dat de omschreven personen het sociaal statuut van werknemers kunnen genieten, maar tevens op gespannen voet lijkt te staan met de wettelijke omschrijving van de (erkende) CV. Uit de hier beschreven bepaling lijkt immers te volgen dat erkende CV's er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, wat indruist tegen de wettelijke omschrijving van zowel de erkende CV als de niet-erkende CV.


2. Tussenbesluit inzake erkenningen

67. Dualiteit binnen de eigenlijke coöperatieven. De memorie van toelichting vermeldt dat alle erkende CV's automatisch zouden moeten beantwoorden aan de voorwaarden om de CV-rechtsvorm aan te nemen, maar dat nog steeds niet alle bestaande CV's aan de voorwaarden zullen beantwoorden om erkend te worden(337). Gelet op de definitie van de CV in het WVV (zie supra nr. 4 et seq.) is dit een uiterst logische propositie.

Het behoud van een duaal systeem met enerzijds een groep van erkende CV's en anderzijds een ruimere groep van vennootschappen die zich als CV mogen organiseren maar niet voldoen aan de erkenningsvoorwaarden valt o.i. evenwel moeilijk te rijmen met de omschrijving die de wetgever in de parlementaire voorbereiding toekent aan die laatste groep. Zoals hoger reeds beschreven, meent de wetgever immers dat de CV-rechtsvorm thans enkel nog kan worden gebruikt door "eigenlijke" coöperatieven(338). Deze "eigenlijke" coöperatieven zijn blijkens de parlementaire voorbereiding vennootschappen die hun bedrijfsmodel construeren vanuit het coöperatief gedachtegoed dat vervat ligt in de ICA-beginselen(339). Gesteld dat de CV-rechtsvorm inderdaad enkel nog zou kunnen worden gebruikt door "eigenlijke" coöperatieven die hun ondernemingsmodel bouwen in functie van het gedachtegoed vervat in de ICA-beginselen (quod non), dan zou o.i. het overgrote merendeel van de CV's een toetsing aan de erkenningsvoorwaarden moeten doorstaan (wat thans niet zo is). De erkenningsvoorwaarden voor CV's zijn immers niet meer dan concreet uitgewerkte toepassingen van de ICA-beginselen. De aanwezigheid van een erkenningssysteem op basis van de ICA-beginselen plaatst volgens ons met andere woorden een belangrijke kanttekening bij de bewering uit de parlementaire voorbereiding dat enkel coöperatieven met een ondernemingsmodel in lijn met de coöperatieve gedachte uit de ICA-beginselen zich als CV zouden mogen organiseren. Zoals in het begin van deze bijdrage uiteengezet, volgt deze propositie ten eerste niet uit de wet (supra nr. 4 et seq.). Ten tweede is de intentie geuit in de parlementaire voorbereiding evenwel ook niet logisch coherent met het bestaan van een op de ICA-beginselen geïnspireerd erkenningssysteem. Dit laatste illustreert dat, zelfs als de voorbereidende werken zouden kunnen primeren op de ruime (maar duidelijke) wettelijke definitie van de CV (quod non), de intenties uit de voorbereidende werken op gespannen voet staan met het bestaande wettelijke kader aangaande de (erkende) CV.


§ 3. Overgangsrecht

68. Inwerkingtreding. In de hieronder beschreven mate, is het WVV op bestaande CVBA's van toepassing vanaf 1 januari 2020(340). Vanaf 1 januari 2020 zijn de bestaande vennootschappen in principe verplicht om bij de eerste statutenwijziging die plaatsvindt de gehele statuten aan te passen conform het WVV(341). Uiterlijk op 1 januari 2024 moeten de statuten van alle bestaande CVBA's in overeenstemming worden gebracht met het WVV(342). De leden van het bestuursorgaan zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade geleden door de vennootschap of door derden ten gevolge van de niet-nakoming van deze verplichting(343).

69. Mate van toepassing WVV. De dwingende bepalingen van het WVV zijn op 1 januari 2020 integraal van toepassing geworden op de bestaande CVBA's(344). Statutaire bepalingen die in strijd zouden zijn met deze dwingende bepalingen moeten vanaf die dag voor niet geschreven worden gehouden(345). De aanvullende bepalingen van het WVV worden daarentegen slechts van toepassing in zoverre zij niet door statutaire clausules worden uitgesloten(346).

70. CVBA's die niet aan de CV-definitie voldoen. In het vorige randnummer werd duidelijk dat CVBA's vanaf 1 januari 2020 onderworpen zijn aan de dwingende bepalingen van het WVV. De CV-definitie is een dwingende bepaling en vindt dus toepassing vanaf de voornoemde datum. CVBA's die niet aan de CV-definitie uit artikel 6:1 WVV beantwoorden blijven tot hun omzetting in een andere rechtsvorm aan het W.Venn. onderworpen, met dien verstande dat vanaf 1 januari 2020 de dwingende BV-bepalingen van het WVV op hen toepasselijk worden(347). Bij tegenstrijdigheden tussen de dwingende bepalingen van het WVV en de dwingende bepalingen van het W.Venn. prevaleren de eerstgenoemde bepalingen(348). Wat betreft de benaming, zou men kunnen argumenteren dat zij vanaf 1 januari 2020 de benaming 'BV' moeten gebruiken(349). Het reparatievoorstel dat op het moment van het schrijven van deze bijdrage ter bespreking voorligt in de Kamer, verduidelijkt echter dat bestaande CVBA's die niet aan de definitie van artikel 6:1 WVV beantwoorden tijdens de overgangsperiode hun oude benaming moeten blijven gebruiken(350).

Zoals hoger reeds uitvoerig geschetst, zal de groep van CVBA's die niet aan de CV-definitie voldoet o.i. evenwel beperkt zijn. Belangrijk op te merken is dat een uitzondering werd voorzien voor de geschillenregeling, het vermogen van de vennootschap en de buitengerechtelijke exitmechanismen, zodat op vlak van mogelijke uittredingen en uitsluitingen de oude regelen voor de CVBA onverminderd blijven gelden(351).

Indien een CVBA die niet aan de CV-definitie voldoet op 1 januari 2024 nog geen andere rechtsvorm heeft aangenomen, dan zal zij op die datum van rechtswege worden omgezet in een BV(352). Het bestuursorgaan dient in voorkomend geval binnen een termijn van zes maanden de algemene vergadering bijeen te roepen, met op de agenda de aanpassing van de statuten aan de nieuwe rechtsvorm(353). De leden van het bestuursorgaan zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade geleden door de vennootschap of door derden ten gevolge van de niet-nakoming van deze verplichting tot bijeenroeping(354).

71. Vast kapitaalgedeelte. Een voor de praktijk niet onbelangrijke regeling is dat het volgestorte deel van het vast kapitaalgedeelte(355) en de wettelijke reserve van de bestaande CVBA's op 1 januari 2020 van rechtswege zullen worden omgevormd in een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening(356). Het niet gestorte gedeelte van het vaste kapitaalgedeelte in de bestaande CVBA's zal op dezelfde wijze worden omgevormd in een eigen vermogensrekening "niet-opgevraagde inbrengen"(357).

Het variabel kapitaalgedeelte daarentegen zal op 1 januari 2020 volledig uitkeerbaar worden. Dit valt niet alleen a contrario af te leiden uit de overgangsbepaling, maar is ook logisch te verklaren omdat onder het oude recht enkel het vast kapitaalgedeelte als kapitaalbuffer tegenover derden kon beschouwd worden, terwijl het variabel gedeelte volledig uitkeerbaar was(358).

Het reparatievoorstel verduidelijkt echter dat bovenstaande regeling enkel geldt voor CV's die aan de definitie van artikel 6:1 WVV beantwoorden(359). Voor de overige CV's blijft gedurende de overgangsperiode de bestaande regeling uit het W.Venn. gelden(360). Vanaf 1 januari 2024 worden deze CV's automatisch omgevormd tot een BV, waarbij het vast kapitaalgedeelte naar analogie met het overgangsrecht voor de 'eigenlijke' CV's zal worden omgevormd tot een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening(361).

Het tot een onbeschikbare eigen vermogensrekening omgevormde vast kapitaalgedeelte kan door de afschaffing van het kapitaalconcept echter gedeeltelijk of volledig uitkeerbaar worden gemaakt. Voor dergelijke omvorming is echter een statutenwijzing vereist, wat meteen ook impliceert dat het bestuur verplicht is om de gehele statuten aan te passen aan het WVV(362). Op die manier kan tevens het niet-volgestorte deel van het vast kapitaalgedeelte worden kwijtgescholden(363).


§ 4. Besluit : de zin en onzin van een afzonderlijke vennootschapsvorm voor de Belgische coöperatieven

72. Bedenking de lege ferenda : een ondubbelzinnig alternatief ? Zoals uitvoerig beschreven in deze bijdrage, lijkt de CV-definitie uit artikel 6:1 WVV ons een allesbehalve effectief medium te zijn om de eigenlijke van de oneigenlijke coöperatieven te onderscheiden (supra nr. 4 et seq.). Dit hoeft niet te verbazen. Door de zeer uiteenlopende aard van het coöperatieve gedachtegoed is het wellicht een bijna onmogelijke taak om een werkbare definitie op te stellen voor de "eigenlijke" CV(364). Indien "oneigenlijk gebruik" van de CV-rechtsvorm daadwerkelijk dient te worden bestreden, dan had de wetgever er o.i. beter aan gedaan om enkele of alle erkenningsvoorwaarden die thans bestaan voor erkende CV's (bijvoorbeeld beperkte dividenduitkering) in al dan niet gewijzigde vorm, dwingend in de wet zelf in te schrijven(365). Zo zou men het thans bestaande duale systeem kunnen vervangen door één wetgevend kader voor de CV met werkbare onderscheidingscriteria, die dan effectief op de coöperatieve ICA-beginselen zouden zijn geïnspireerd en cooperative branding zouden faciliteren doordat enkel eigenlijke coöperatieven van de rechtsvorm gebruik zouden kunnen maken. Een voorbeeld van deze werkwijze kan teruggevonden worden in het Franse coöperatieve statuut, waar coöperaties zich moeten houden aan concrete regels geïnspireerd op de ICA-beginselen, waarbij ook wordt voorzien in een administratieve controle(366). Wellicht heeft de wetgever deze benadering niet gevolgd om de bestaande coöperatieven, waarvan de verschijningsvormen zeer uiteenlopend zijn, voldoende vrijheid te blijven bieden. Het komt ons echter voor dat een wetgevend kader niet tegelijk breed én eng kan zijn. Een problematische spreidstand waar de coöperatieve vennootschap in het verleden, maar o.i. ook onder het WVV, onder gebukt gaat.

Meer fundamenteel zou men zich de vraag kunnen stellen of het behoud van de coöperatieve vennootschap als afzonderlijke rechtsvorm wel de juiste keuze is geweest. Belangrijke kenmerken van de vroegere CVBA zijn voortaan immers opgenomen in het wettelijk kader aangaande de BV, waardoor een ondernemingsmodel dat vertrekt vanuit de coöperatieve gedachte o.i. perfect zou kunnen worden vormgegeven binnen de BV. Het behoud van de CV als afzonderlijke rechtsvorm lijkt vooral te zijn ingegeven door een verlangen vanuit de coöperatieve sector om eigenlijke coöperatieven toe te laten zich extern herkenbaar en onderscheidend te profileren als coöperatief geïnspireerde entiteiten (i.e. cooperative branding). Vermits de BV- en CV-regimes grotendeels gelijklopen, is het evenwel niet evident dat hiervoor een afzonderlijke vennootschapsvorm nodig is. ICA-geïnspireerde wettelijke voorwaarden zouden bijvoorbeeld ook kunnen dienen om vennootschappen te selecteren die de benaming CV mogen hanteren(367), zonder dat deze vennootschappen voor het overige aan andere wetsbepalingen zijn onderworpen.

73. Inhoudelijke verschillen. De vaststelling dat de CV zich niet per se onderscheidt van andere vennootschapsvormen op basis van de CV-definitie doet de vraag rijzen naar andere mogelijke inhoudelijke verschillen tussen het CV- en BV-recht. Door de 'flexibilisering' van de BV, waarbij bepaalde essentiële karakteristieken van het vroegere CVBA-recht zijn overgenomen, lijken er onder het WVV minder incentives te zijn voor niet coöperatief geïnspireerde vennootschappen om nog langer van de CV-vorm gebruik te maken(368), wat meteen ook het uitgangspunt van de hervorming en doel van de wetgever was.

Toch zijn er thans nog steeds voordelen verbonden aan het CV-statuut in vergelijking met de BV-rechtsvorm. Vooreerst is er het voordeel van de cooperative branding. Enkel CV's verkeren in de mogelijkheid om een erkenning als "erkende CV" (alsook als "CV erkend als SO" en als "erkende CVSO") te verkrijgen. Met een dergelijke erkenning kan een entiteit zich extern profileren als zijnde een vennootschap die fungeert in overeenstemming met de op de ICA-beginselen geïnspireerde erkenningsvoorwaarden(369). Zowel het vroegere CVBA-recht als het huidige CV-recht slagen er evenwel niet in de CV(BA) voor te behouden aan de eigenlijke coöperatieven. Voor wat betreft de erkende CV's zijn er ook een aantal beperkte geldelijke voordelen die voortvloeien uit de erkenning.

Toch zijn er ook nog andere versoepelingen aanwezig in het CV-statuut. In het licht van de "flexibilisering" van de BV vinden wij het enigszins opmerkelijk dat de wetgever het toch opportuun heeft geacht om op bepaalde punten het CV-recht een bijkomende flexibiliteit te laten bieden. Een eerste aspect blijft nog steeds de soepele wijziging in het aandeelhoudersbestand. Hoewel gelijkaardige mechanismen voortaan ook in de BV mogelijk zijn (mits invoeging van de relevante statutaire bepalingen), blijven er verschillen bestaan. Zo zal voor zowel de toetreding als uittreding van aandeelhouders in de BV per jaar minstens één notariële akte vereist zijn, terwijl dit in de CV niet hoeft. In de BV moet - anders dan bij de CV - uiteraard ook rekening worden gehouden met het voorkeurrecht van de bestaande aandeelhouders. Ook de afwezigheid van de geschillenregeling in de CV lijkt voor bepaalde vennootschappen een bron van rechtszekerheid te kunnen zijn. Voorts kan men in de CV, anders dan in de BV, de bevoegdheid tot buitengerechtelijke uitsluiting bij het bestuursorgaan leggen in plaats van bij de algemene vergadering. Ook inzake de organisatie van de algemene vergadering zijn er versoepelingen mogelijk, in het bijzonder inzake het noodzakelijke quorum voor statutenwijzigingen. Tot slot komt de soepelheid van de CV ook tot uiting in de afwijkende regeling inzake interne reglementen, die ervoor zorgt dat zij een veel uitgebreidere rol kunnen spelen dan bij de BV. Wij denken dat, in het bijzonder voor professionele vennootschappen, dit wel degelijk een grote aantrekkingskracht kan hebben.

Naast de voordelen zijn er ook enkele nadelen en beperkingen verbonden aan het CV-statuut die er, zoals reeds aangehaald, wellicht voor zullen zorgen dat de BV voor de meeste (maar niet alle) ondernemingsmodellen de voorkeur zal genieten op de CV. Ten eerste is er in de CV de vereiste van de driehoofdigheid. Ten tweede is het statuut van de CV-effecten vrij restrictief (geen aandelen zonder stemrecht, geen certificeringsoperaties, geen winstbewijzen, etc.). Ten derde kan mits invoeging van de relevante statutaire bepalingen de BV thans "opener" worden gemaakt dan de CV op het vlak van aandelenoverdrachten. Ten vierde kan de uittreding in de BV selectief worden voorzien voor bepaalde soorten aandeelhouders.

74. Toekomstsperspectief. Samengevat denken wij dat, afgezien van de "eigenlijke" CV's die een coöperatief label wensen te genieten, de CV slechts voor een beperkt aantal vennootschappen een aantrekkelijke optie zal zijn. Wij stellen echter vast dat voor de vele professionele vennootschappen die op heden als CVBA zijn georganiseerd, de CV nog steeds een aantrekkingskracht kan hebben. Deze aantrekkingskracht kan voortvloeien uit enkele versoepelingen in vergelijking met het BV-recht, zoals de uitgebreidere rol van het intern reglement of de afwezigheid van de vereiste om minstens jaarlijks bij notariële akte het aandeelhoudersbestand te laten vaststellen, of - misschien nog belangrijker - uit inertie. Het lijkt ons goed denkbaar dat er bij veel bestaande CVBA's geen animo zal bestaan om de inspanningen te leveren die komen kijken bij het omvormen van een CVBA naar een BV. Zoals uitvoerig beschreven, hebben deze entiteiten volgens ons het recht aan hun kant; o.i. mogen zij zich door de brede formulering van de CV-definitie wel degelijk organiseren in de CV-rechtsvorm(370).





Voetnoten:

1. Doctorandus, Instituut Financieel Recht, UGent. (terug)
2. Doctorandus, Instituut Financieel Recht, UGent. (terug)
3. O. CAPRASSE en M. WYCKAERT, "Beperking van het aantal vennootschapsvormen : waarheen met de kapitaalvennootschappen (NV, BVBA, CV) ?" in BCV (ed.), De modernisering van het vennootschapsrecht,Brussel, Larcier, 2014, (65) 75, nr. 12. (terug)
4. Ibid.(terug)
5. Zie wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, BS 4 april 2019 (hierna : "Invoeringswet WVV"). (terug)
6. Zie infra nr. 55 e.v. (terug)
7. Zie voor een aantal eerste analyses ook R. HOUBEN, "De CV voor professionele vennootschappen van vrije beroepen : C4 ?", TRV-RPS 2019, 449-450; D. BRULOOT, "Aandachtspunten bij de overgang van BVBA en CVBA naar BV" in D. BRULOOT (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat - Deel 34, Brugge, die Keure, 2019, (77) 81-86; D. VAN GERVEN, "De coöperatieve vennootschap, de erkende vennootschappen, de feitelijke vereniging, de VZW, de IVZW en de stichtingen", TBH 2018, 1067-1086; R. AYDOGDU en L. NICKELS, "La société à responsabilité limitée et les autres formes de sociétés" in CUP (ed.), Le Code des sociétés et des associations. Introduction à la réforme du droit des sociétés, Limal, Anthemis, 2018, (65) 90-93; H. CULOT en N. TISSOT, "Le cadre juridique de la société coopérative et les perspectives d'avenir" in J.-A. DELCORDE (ed.), La société coopérative : nouvelles évolutions, Brussel, Larcier, 2018, 11-45; P. ERNST, "Het nieuwe vennootschapslandschap" in VPG (ed.), De nieuwe vennootschapswet - VPG studiedag 2018, Mechelen, Kluwer, 2018, (1) 41-44; A. FRANÇOIS en F. HELLEMANS, "'Shaken, not stirred ?' Een eerste analyse van de definities, de basisbeginselen en de structuur van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen" in BCV (ed.), Het ontwerp Wetboek van vennootschappen en verenigingen, Brussel, Larcier, 2018, 43-45; A. FRANÇOIS en M. VERHEYDEN, "Onerkend is onbemind. Over de erkende vennootschappen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen" in VPG (ed.), De nieuwe vennootschapswet - VPG studiedag 2018, Mechelen, Kluwer, 2018, (141) 152 e.v. (terug)
8. Supra nr. 1. (terug)
9. Amendement HENRY e.a., Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3119/018. (terug)
10. Zie over de invulling van deze notie infra nr. 4. (terug)
11. Vergelijk bijvoorbeeld artikelen 6:117, lid 1 en 5:144, lid 1 WVV, alwaar de hoofdelijke aansprakelijkheid van de leden van het bestuursorgaan ten gevolge van de miskenning van de liquiditeitstest respectievelijk wordt vastgeknoopt aan de (veronderstelde) kennis van de bestuurders over het feit dat de vennootschap "[...] ten gevolge van de uitkering redelijk niet meer in staat zou zijn haar schulden te voldoen [...]" en "[...] ten gevolge van de uitkering kennelijk niet meer in staat zou zijn haar schulden te voldoen [...]" [eigen onderstrepingen]. (terug)
12. Dat de schrijffouten uit Boek 5 WVV niet steeds zijn overgenomen in Boek 6 WVV en vice versa illustreert dat de relevante bepalingen in Boek 6 WVV geen loutere kopie vormen van de corresponderende bepalingen in Boek 5 WVV. Vergelijk in dat opzicht bijvoorbeeld artikel 6:38, lid 1 WVV ("gerelementeerde markt") en artikel 5:39, lid 1 WVV ("gereglementeerde markt"); artikel 6:89, § 1, lid 2 WVV ("[d]eze minderheidsaandeelhouders moeten [...] van ten minste 10 % van het aantal uitgegeven aandelen bezitten") en artikel 5:104, § 1, lid 2 WVV ("[d]eze minderheidsaandeelhouders moeten [...] ten minste 10 % van het aantal uitgegeven aandelen bezitten"); artikel 6:110, § 1, laatste lid WVV ("[...] het verslag van het bestuursorgaan of het verslag van de commissaris [...]") en artikel 5:133, § 1, laatste lid WVV ("[...] het verslag van het bestuursorgaan of van het verslag van de commissaris [...]"; artikel 6:120, § 1, lid 2, 1° WVV ("[...] is de uittreding van oprichters pas met ingang van het derde boekjaar na de oprichting toegelaten") en artikel 5:154, § 1, lid 2, 1° WVV ("[...] is de uittreding van oprichters met ingang van het derde boekjaar na de oprichting pas toegelaten"). (terug)
13. Memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer2017-18, nr. 3119/001, 190 e.v.; hierna geciteerd als "memorie van toelichting". (terug)
14. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 14. (terug)
15. De ICA-beginselen zijn : (i) vrijwillig en open lidmaatschap; (ii) democratische controle door de leden; (iii) economische participatie door de leden; (iv) autonomie en onafhankelijkheid; (v) onderwijs, vorming en informatieverstrekking; (vi) samenwerking tussen coöperaties; en (vii) aandacht voor de gemeenschap. Zie de website van de ICA : www.ica.coop/en/cooperatives/cooperative-identity. (terug)
16. Zie infra nr. 9. (terug)
17. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 192. (terug)
18. Zie infra nr. 67. (terug)
19. Zie over de Europese herkomst van deze definitie infra voetnoot 48 en bijhorende tekst. (terug)
20. De Nederlandstalige versie van artikel 6:1 WVV geeft op dit punt aan dat het voornaamste doel van de vennootschap betrekking moet hebben op de ontwikkeling van "economische en sociale activiteiten [eigen onderlijning]". De Franstalige versie stelt evenwel dat de ontwikkeling van economische of sociale activiteiten kan volstaan : "le développement des activités économiques et/ou sociales". (terug)
21. De opmerking uit voetnoot 20 is van overeenkomstige toepassing. (terug)
22. Artikel 6:1, § 1, lid 1, eerste zin in fine WVV. (terug)
23. Artikel 6:1, § 1, lid, 1, tweede en derde zin WVV. (terug)
24. De objectieven van een vennootschap binnen een groepsstructuur waarnaar wordt verwezen, conflicteren niet met de beperkende voorwaarde inzake het "voornaamste doel" en de wet legt ook geen enkele bijkomende beperkende voorwaarde op. Nu de toelaatbaarheid van deze doelen reeds blijkt uit de eerste zin van artikel 6:1, § 1, lid 1 WVV, zijn de tweede en derde zin van artikel 6:1, § 1, lid 1 WVV o.i. overbodig. Dit geldt a fortiori voor het deel van de tweede zin van artikel 6:1, § 1, lid 1 WVV dat verwijst naar het voldoen aan de behoeften van aandeelhouders buiten een groepsstructuur. Artikel 6:1, § 1, lid 1, tweede zin WVV stelt immers : "[d]e coöperatieve vennootschap kan tevens tot doel hebben aan de behoeften van haar aandeelhoudersof haar moedervennootschappen en hun aandeelhouders dan wel hun derde belanghebbende partijen te voldoen, al dan niet via de tussenkomst van dochtervennootschappen [eigen onderlijning]". Vermits de laatste zinsnede ook doelt op situaties waarin aan de behoeften van aandeelhouders worden voldaan zonder de tussenkomst van dochtervennootschappen, verwijst de tweede zin dus ook naar situaties buiten een groepscontext. (terug)
25. Vroeger aangeduid als oogmerk. (terug)
26. Vroeger aangeduid als doel. (terug)
27. Zie artikel 1:1 WVV. (terug)
28. Cf. A. FRANÇOIS, "Op naar een BBC ('Belgische Benefit Corporation')", TRV-RPS 2019, (683) 684. (terug)
29. Deze veronderstelling is in lijn met de enge invulling die het Hof van Cassatie heeft verleend aan het "vennootschapsbelang". Zie Cass. 28 november 2013, TRV 2014, 286, nr. 14 : "Het belang van een vennootschap wordt bepaald door het collectief winstbelang van haar huidige en toekomstige aandeelhouders". (terug)
30. Bijvoorbeeld door middel van ristorno's, waarmee de winst wordt verdeeld in functie van de gedane verrichtingen met de vennootschap en niet louter als interest op het bijgedragen vermogen. In een coöperatie staat de bedrijfswinstmaximalisatie op het niveau van de vennootschap immers niet centraal; zie H. HOLLEBECQ en L. JACOBS, "De coöperatieve vennootschap : enkel voor echte coöperaties ?", Acc.& Fisc. 2019, nr. 31, (1) 6. (terug)
31. Gelet op de in de voorbereidende werken geuite intenties moet de (voor interpretatie vatbare) notie "derde belanghebbende partijen" wellicht restrictief worden geïnterpreteerd. Zoals BRULOOT terecht stelt dient deze notie allicht te worden gelezen met het erkenningssyteem voor sociale ondernemingen in het achterhoofd. Enkel CV's kunnen immers een erkenning als sociale onderneming verkrijgen (zie infra nr.56), wat in een aantal gevallen kan verklaren dat de belangen van derde belanghebbende partijen primeren op de belangen van de aandeelhouders. Zie D. BRULOOT, "Aandachtspunten bij de overgang van BVBA en CVBA naar BV" in D. BRULOOT (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat - Deel 34, Brugge, die Keure, 2019, (77) 84. (terug)
32. Anders : D. BRULOOT, "Aandachtspunten bij de overgang van BVBA en CVBA naar BV" in D. BRULOOT (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat - Deel 34, Brugge, die Keure, 2019, (77) 83. (terug)
33. Zie supra nr. 4. (terug)
34. Zie over deze principes infra nr. 55 et seq. (terug)
35. Zie memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 192 : "Alle erkende coöperatieve vennootschappen beantwoorden dus automatisch aan de voorwaarden om de rechtsvorm van een CV aan te nemen, doch niet alle bestaande CV's zullen aan de voorwaarden beantwoorden om erkend te worden". (terug)
36. Zie supra nr. 4. (terug)
37. Wij delen dan ook niet de opvatting dat de ruime bewoordingen van de wet eng moeten worden geïnterpreteerd; cf. H. CULOT en N. TISSOT, "Le cadre juridique de la société coopérative et les perspectives d'avenir" in J.-A. DELCORDE (ed.), La société coopérative : nouvelles évolutions, Brussel, Larcier, 2018, (11) 45. (terug)
38. De memorie van toelichting stelt dat dergelijke "professionele vennootschappen" voortaan de BV-vorm zullen kunnen aannemen en dat de CV niet langer bruikbaar zal zijn voor professionele vennootschappen. Zie memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 186 en 191. (terug)
39. Vr. en Antw. Kamer, Vr. nr. 0015, 23 juli 2019 (G. GILKINET). Het antwoord op de parlementaire vraag werd nogal summier gemotiveerd, door te verwijzen naar de ICA-beginselen en de doelstelling van de wetgever om de CV haar oorspronkelijke eigenheid terug te geven. Volgens de minister "volgt uit een en ander dat de CV onder het WVV niet meer in aanmerking komt voor de uitoefening van een vrij beroep". Verder wordt echter genuanceerd dat beoefenaren van vrije beroepen naast hun professionele vennootschap, wel tevens een CV zouden kunnen aanwenden voor andere activiteiten ("Dit neemt niet weg dat beoefenaars van vrije beroepen onder omstandigheden, en in voorkomend geval naast hun professionele vennootschap, een cv kunnen oprichten die wel geïnspireerd is door het coöperatief gedachtengoed"). Zelfs indien men zou aannemen dat de begripsomschrijving in artikel 6:1 WVV enkel "eigenlijke" CV's zou omvatten (wat wij betwisten), dan nog kan men moeilijk ontkennen dat ook vrije beroepers zich kunnen organiseren in een "eigenlijk" coöperatief ondernemingsmodel, waardoor dergelijk verbond tevens in strijd zou zijn met de doelstelling van de wetgever; zie H. HOLLEBECQ en L. JACOBS, "De coöperatieve vennootschap : enkel voor echte coöperaties ?", Acc.& Fisc. 2019, nr. 31. (terug)
40. Artikel 350 W.Venn. Merk op dat de veranderlijkheid van het aantal vennoten en het kapitaal aanvankelijk niet verwoord waren als cumulatieve voorwaarden. De Franstalige omschrijving van de coöperatieve vennootschap luidde initieel immers : "La société coopérative est celle qui se compose d'associés dont le nombre ou les apports sont variables [eigen onderlijning]". Zie artikel 85 wet van 18 mei 1873, bijvoorbeeld opgenomen in J. GUILLERY, Des sociétés commerciales en Belgique. Commentaire de la loi du 18 mai 1873, Brussel, III, Bruylant, 1883, 69. Pas later werd die omschrijving gewijzigd naar : "La société coopérative est celle qui se compose d'associés dont le nombre et les apports sont variables [eigen onderlijning]". Zie artikel 1 wet van 28 september 1932 tot herziening van artikel 115 der samengeschakelde wetten op de handelsvennootschappen en van artikel 27 der wet op de arbeidsovereenkomst voor bedienden, BS 10-11 oktober 1932, 5647. (terug)
41. Artikel 6:1, § 1, lid 2 WVV; infra nr. 28 et seq. (terug)
42. Al bestaan er verschillen tussen de beide regimes (zie infra nr. 20 et seq.). (terug)
43. Zie supra nr. 4 et seq. (terug)
44. O. CAPRASSE en M. WYCKAERT, "Beperking van het aantal vennootschapsvormen : waarheen met de kapitaalvennootschappen (NV, BVBA, CV) ?" in BCV (ed.), De modernisering van het vennootschapsrecht, Brussel, Larcier, 2014, (65) 73. (terug)
45. Reeds bij de totstandkoming van de oorspronkelijke wetgeving was men zich hiervan bewust, zo blijkt uit volgend citaat van GUILLERY : "[...] ce qui caractérise la société coopérative, c'est la mobilité du capital et du nombre des membres. Ceci regarde la forme, mais l'essence de cette société, c'est ce que j'appellerai une réunion ouvrière, une association où la personne dénuée de ressources est le véritable répondant par sa réputation, son activité, sa probité incontestée. Il est bien vrai que cela ne se trouve pas dans la définition [...]"; J. GUILLERY, Des sociétés commerciales en Belgique. Commentaire de la loi du 18 mai 1873, t. III, 2e ed., Brussel, Bruylant, 1883, 87. Men wou echter vermijden dat de coöperatieve vennootschappen aan een te restrictief wettelijk kader zou worden onderworpen. (terug)
46. Door de toenemende regulering van de NV en BVBA ontpopte de CV zich in het verleden tot de vluchtvorm bij uitstek. Door de transponering in 1991 van de Europese kapitaalbeschermingsregelen naar de CVBA werden de belangrijkste misbruiken ingeperkt; zie J. WOUTERS, "De coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid na de wet van 20 juli 1991" in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de wet van 20 juli 1991,53-56. Een grondige aanpassing van de uit 1873 stammende wetgeving om het gebruik van de CV verder te beperken, is er echter nooit gekomen. (terug)
47. Als voorbeeld denken wij aan de Franse CV (die overigens geen vennootschapsvorm is an sich), die wordt gekenmerkt door strikte regels inzake vermogensstructuur, stemrecht, ...; zie loi n° 47-1775 du 10 septembre 1947 portant statut de la coopération. (terug)
48. Zie artikel 1 (3) Verordening van de Raad (EG) nr. 1435/2003 van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE), Pb.L. 18 augustus 2003, afl. 207, 1 (hierna : SCE-verordening) : "De SCE heeft tot voornaamste doel aan de behoeften van haar leden te voldoen en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen, met name door met haar leden overeenkomsten te sluiten betreffende de levering van goederen, het verrichten van diensten of het uitvoeren van werken in het kader van de activiteit die de SCE uitoefent of laat uitoefenen. De SCE kan tevens tot doel hebben aan de behoeften van haar leden te voldoen door het bevorderen van hun deelneming aan economische activiteiten, op de hierboven genoemde wijze, in een of meer SCE's en/of nationale coöperaties. Een SCE kan haar activiteiten uitoefenen via een dochteronderneming". Merk op dat de Engelstalige versie van artikel 1 (3) SCE-verordening het volgende stipuleert : "An SCE shall have as its principal object the satisfaction of its members' needs and/or the development of their economic and social activities, in particular[eigen onderlijning] through the conclusion of agreements with them to supply goods or services or to execute work of the kind that the SCE carries out or commissions". Indien het objectief was om de CV via de wettelijke definitie voor te behouden aan de eigenlijke coöperatieven, dan had de Belgische wetgever zich volgens ons beter kunnen laten inspireren door de Engelstalige versie van de SCE-verordening. "In het bijzonder" ("in particular") betekent immers iets anders dan "onder meer" (artikel 6:1 WVV) of "met name" (artikel 1 (3) SCE-verordening). Terwijl "onder meer" louter facultatief verwijst naar één element uit een ruimere groep van mogelijkheden, refereert "in het bijzonder" aan het voornaamste element uit een ruimere groep van mogelijkheden. Deze laatste betekenis zou dus beter hebben aangesloten bij de doelstellingen van de wetgever. (terug)
49. Na consultatie van het Belgisch Staatsblad blijkt dat in België op het moment van de totstandkoming van deze bijdrage slechts vier Europese coöperatieve vennootschappen bestaan. (terug)
50. Zie supra nr. 7. (terug)
51. Zie Advies RvS nr. 61.988/2 van 9 oktober 2017 bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen van 4 juni 2018, deel II, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/002, 81 en Advies RvS nr. 65.081/2 van 24 januari 2019 bij het wetsontwerp van 7 februari 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3119/017, 5. (terug)
52. Artikel 6:127, lid 1 WVV. (terug)
53. Artikel 6:127, lid 2 WVV. (terug)
54. Dit zal het geval zijn voor zover de hoven en rechtbanken de ruime maar duidelijke bewoordingen van de wettelijke definitie daadwerkelijk laten primeren op de voorbereidende werken, wat volgens ons wordt vereist door de primauteit van de wet op de voorbereidende werken. (terug)
55. Artikel 6:1, § 4 WVV. (terug)
56. Zie artikel 41, § 2 Invoeringswet WVV. Zie over het overgangsrecht (en in het bijzonder de daaraan gekoppelde bestuursaansprakelijkheid) meer in detail infra nr. 68 et seq. (terug)
57. Cf. R. HOUBEN, "De CV voor professionele vennootschappen van vrije beroepen : C4 ?", TRV-RPS 2019, (449) 449; supra nr. 9. (terug)
58. Artikel 5:18, lid 1 WVV. (terug)
59. Artikel 6:19, lid 1 WVV. Het derde lid van artikel 6:19 WVV stelt dat CV's die gereglementeerde ondernemingen zijn in de zin van artikel 3, 42°, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen (BS 7 mei 2014) alle andere effecten kunnen uitgeven die onder hun wettelijk statuut zijn toegelaten, al dan niet gedematerialiseerd. Wellicht bedoelt de wetgever hiermee dat de CV-gereglementeerde onderneming alle effecten kan uitgeven die haar wettelijk statuut toelaat, behalve aandelen die niet op naam zijn. (terug)
60. Zie in het bijzonder artikel 356, lid 2 W.Venn. : "Buiten deze aandelen [op naam] die inbrengen vertegenwoordigen, kan de coöperatieve vennootschap geen andere effecten uitgeven, welke maatschappelijke rechten vertegenwoordigen of recht geven op een deel van de winst". Het derde lid van artikel 356 W.Venn. bepaalt dat de uitgifte van obligaties wordt geregeld door de statuten. (terug)
61. Dit geldt eveneens voor de BV : zie artikel 6:39 (CV) en 5:40 (BV) WVV. (terug)
62. Artikel 356, lid 1 W.Venn. (terug)
63. Genoteerde BV's mogen ook gedematerialiseerde aandelen uitgeven indien de statuten dit toelaten (artikel 5:18, lid 2 WVV). (terug)
64. Artikel 5:18, lid 2 WVV. (terug)
65. Artikel 6:19, lid 2 WVV. Zowel in de CV als in de BV mogen obligaties die uitsluitend in het buitenland worden uitgegeven en die ook worden beheerst door buitenlands recht de vorm aannemen van individuele of verzameleffecten aan toonder. Deze obligaties aan toonder mogen evenwel niet fysiek worden afgeleverd in België. Zie respectievelijk artikelen 6:19, lid 4 en 5:18, lid 2 WVV. (terug)
66. Zie bv. A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 210, nr. 294. (terug)
67. D. BRULOOT en K. MARESCEAU, "De uitgifte van obligaties door de CV" in D.BRULOOT en K. MARESCEAU (eds.), De obligatielening, Antwerpen, Intersentia, 2017, (511) 512, nr. 1120-1121; B. VAN BRUYSTEGEM "Commentaar bij art. 356 W.Venn." in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10 (oktober 2002), losbl., (9) 16-17. (terug)
68. Artikel 6:19, lid 1 en 2 WVV. (terug)
69. Een converteerbare obligatie is immer nog steeds een obligatie. (terug)
70. Amendement Henry e.a., Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3119/021, 71. (terug)
71. Vergelijk artikel 5:50 en 6:47 WVV. Verder ontbreekt voor de CV ook de onderafdeling waarbij de converteerbare obligaties worden geregeld; zie artikel 5:53 en 5:54. WVV. (terug)
72. Artikel 6:1, § 2 WVV. Wellicht doelt de wetgever hier met toelating tot verhandeling op een "niet gereglementeerde markt" op de toelating tot verhandeling op multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's) en georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's). (terug)
73. Artikel 6:1, § 2 WVV. (terug)
74. Artikel 351 juncto 403, 4° W.Venn. (terug)
75. Artikel 6:3 juncto 6:14, 4° WVV. (terug)
76. Artikel 6:126 WVV. Meer algemeen dient een CV minstens drie aandelen uit te geven. In artikel 6:39 WVV wordt ook nogmaals herhaald dat het om aandelen met stemrecht moet gaan, wat evident is nu de CV geen aandelen zonder stemrecht kan uitgeven. (terug)
77. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 194. Deze verantwoording lijkt aan te sluiten bij de reeds in het verleden door de Belgische wetgever geformuleerde visie op coöperatieve samenwerkingsverbanden, die in essentie bedoeld zouden zijn voor een samenwerking tussen een groot aantal personen. Cf. Hand. Senaat 1983-84, Commissie voor de Justitie, 5 juni 1984, nr. 390/2 (1982-1983), 52. (terug)
78. Zelfs indien de vereiste van de driehoofdigheid een legitiem doel gelieerd aan de "bijzondere aard van de CV" zou pogen te verwezenlijken, dan nog valt a fortiori moeilijk in te zien hoe deze vereiste dergelijke doelstelling zou kunnen realiseren. Niets verlangt immers dat de hoedanigheid van de oprichters het coöperatief karakter van de entiteit faciliteert. Middels stromannen of niet-coöperatief georiënteerde aandeelhouders kan immers ook aan de voorwaarde van de driehoofdigheid worden voldaan. (terug)
79. Artikel 6:14, 4° WVV. De nietigheid moet steeds bij rechterlijke beslissing worden uitgesproken. Zie artikel 2:34 WVV. (terug)
80. Artikel 6:12, lid 1 juncto 6:14, 1° WVV. (terug)
81. Cf. reeds F. BOUCKAERT, "Commentaar bij art. 351 W.Venn." in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 11 (december 2002), losbl., (109) 110. (terug)
82. H. LAGA, "Bepalingen gemeen aan de C.V. en de C.V.O.H.A. - De C.V.O.H.A." in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de Wet van 20 juli 1991, Kalmthout, Biblo, 1992, (11) 22. (terug)
83. K. GEENS, "De nietigheid bij de oprichting van een vennootschap", TPR 1990, (1631) 1652. (terug)
84. Artikel 2:38 WVV. (terug)
85. Artikel 6:126 WVV. (terug)
86. Artikel 6:126 WVV. (terug)
87. Zie infra nr. 33. (terug)
88. A.-P. ANDRÉ-DUMONT, "L'exclusion d'associés dans les sociétés coopératives" in P. FORIERS, C. STAUDT, P. KILESTE, P. VAN OMMESLAGHE e.a. (eds.), Les conflits au sein des sociétés commerciales ou à forme commerciale, Brussel, Jeune Barreau de Bruxelles, 2004, (201) 219; J.-P. BOURS en O. CAPRASSE, "La société coopérative" in C. JASSOGNE (ed.), Traité pratique de droit commercial, D. IV, Les sociétés, Diegem, Story-Scientia, 1998, (677) 691. (terug)
89. Zie bijvoorbeeld artikelen 6:13, lid 1, 4° en 6:25, lid 1, 1° en 3° WVV. (terug)
90. Artikel 6:46 WVV. (terug)
91. Zie artikel 355, 4° en 6° W.Venn. Vroeger werd in dat opzicht in de rechtsleer vaak gerefereerd aan de verschillende "categorieën" van aandelen. Zie bijvoorbeeld N. DELANG, "Commentaar bij artikel 356 W.Venn." in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., 2016, 7 (titel VII); J. LEMMENS, "Coöperatieve vennootschap : with or without you ?", Acc.Bedr.M. 2012, afl. 10, (2) 6. Gelet op de door het WVV gehanteerde terminologie lijkt het thans evenwel correcter om de notie "soorten" van aandelen te hanteren. Het WVV hanteert de notie "categorieën" immers om het bredere onderscheid tussen aandelen, obligaties, certificaten, etc. aan te duiden. De notie "soorten" wordt daarentegen voorbehouden voor het verder onderverdelen van aandelen (of certificaten) op basis van de aan de aandelen (of certificaten) verbonden rechten. Zie bijvoorbeeld de terminologie aangewend in artikelen 5:40-5:60 en 6:39-6:49 WVV. (terug)
92. Artikel 6:46, lid 2 WVV. Denk aan bv. vetorechten of bijkomend stemrecht; amendement Henry e.a., Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3119/021, 71. (terug)
93. Amendement Henry e.a., Parl.St. Kamer 2018-19, nr. 3119/021, 71. (terug)
94. Ibid. (terug)
95. Artikelen 6:41, lid 1 en 5:42, lid 1 WVV. In het W.Venn. vormde de ongebreidelde flexibiliteit op het vlak van de toekenning van stemrechten een belangrijk motief voor ondernemingen om zich als CVBA te organiseren. In de BVBA (elk aandeel één stem) gold immers een rigider regime. (terug)
96. Zie de duidelijke bewoordingen van artikel 382, lid 1 W.Venn. : "[t]enzij anders bepaald door de statuten, [...] geeft elk aandeel recht op één stem". Contra : J. LEMMENS, "Coöperatieve vennootschap : with or without you ?", Acc.Bedr.M. 2012, afl. 10, (2) 12. LEMMENS stelt dat bij de coöperatieve vennootschap de regel "one man one vote" geldt. Zie over het oude recht onder meer A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 536. (terug)
97. Infra nr. 58. (terug)
98. Cf. J.-P. BOURS en O. CAPRASSE, "La société coopérative" in C. JASSOGNE (ed.), Traité pratique de droit commercial, D. IV, Les sociétés, Diegem, Story-Scientia, 1998, (677) 721. (terug)
99. Cf. T. DELAHAYE, La société coopérative à responsabilité illimitée en droit commercial belge. Loi du 20 juillet 1991, Brussel, Bruylant, 1994, 300. Zie ook H. LAGA, "Bepalingen gemeen aan de C.V. en de C.V.O.H.A. - De C.V.O.H.A." in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de Wet van 20 juli 1991, Kalmthout, Biblo, 1992, (11) 41; K. GEENS, "De professionele vennootschap" in M. STORME en S. VAN CROMBRUGGE (eds.), Actuele problemen van fiscaal recht, Antwerpen, Kluwer, 1989, (111) 136. (terug)
100. J. WOUTERS, "De Coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid na de wet van 20 juli 1991" in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de Wet van 20 juli 1991, Kalmthout, Biblo, 1992, (49) 139. (terug)
101. J. LEMMENS, "Coöperatieve vennootschap : with or without you ?", Acc.Bedr.M. 2012, afl. 10, (2) 6; D. VAN GERVEN, "Voordrachtrechten, controlebehoud en ontslag" in A. VERBEKE, H. DERYCKE, P. LALEMAN en D. VAN GERVEN (eds.), Vermogensplanning met Effect bij Leven : Rechtspersoon, Brussel, Larcier, 2009, (119) 122. (terug)
102. Artikel 5:45 WVV. (terug)
103. Artikel 6:44 WVV. (terug)
104. Artikel 6:56, lid 2 WVV; supra nr. 16. (terug)
105. Artikel 6:44 in fine WVV. (terug)
106. Artikel 6:19, lid 1 WVV. (terug)
107. Zie onder meer J. MALHERBE, Y. DE CORDT, P. LAMBRECHT en P. MALHERBE, Droit des sociétés. Précis, Brussel, Bruylant, 2011, 988; L. WEYTS, "De coöperatieve vennootschap als instrument voor vermogensplanning en familieregeling", TRV 2008, (559) 561; P. HERMANT, "Commentaire de l'art. 382 C.soc." in X., Commentaire systématique du Code des sociétés, Brussel, Kluwer, boek VII, afl. 8 (20 september 2004), losbl., (69) 71; N. WELLEMANS, "BVBA & CVBA : een vergelijkende studie", Activa 2001, afl. 2, (34) 37. (terug)
108. J. VAN BAEL, "De wet op de coöperatieve vennootschappen" in H. BRAECKMANS en E. WYMEERSCH (eds.), Het gewijzigde vennootschapsrecht 1991, Antwerpen, Maklu, 1992, (373) 387; T. DELAHAYE, La société coopérative à responsabilité illimitée en droit commercial belge. Loi du 20 juillet 1991, Brussel, Bruylant, 1994, 338. (terug)
109. Artikel 6:41, lid 2 WVV. (terug)
110. Artikel 6:19, lid 1 WVV. (terug)
111. Zie bijvoorbeeld N. DELANG, "Commentaar bij artikel 356 W.Venn." in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl., 2016, 9 (titel IX); M. TISON, "Certificering van aandelen naar Belgisch recht (Wet van 15 juli 1998)" in A. VERBEKE, H. DERYCKE, P. LALEMAN en D. VAN GERVEN (eds.), Vermogensplanning met Effect bij Leven : Rechtspersoon, Brussel, Larcier, 2009, (239) 242. (terug)
112. Zie artikel 5:41, lid 1 WVV. (terug)
113. Artikel 6:40 WVV. (terug)
114. Zie reeds H. LAGA, "Bepalingen gemeen aan de C.V. en de C.V.O.H.A. - De C.V.O.H.A." in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de Wet van 20 juli 1991, Kalmthout, Biblo, 1992, (11) 32. Zie ook E. JANSSENS, "Aandelen/Toevoegen van een preferentieel dividend" in A. VERBEKE, H. DERYCKE, P. LALEMAN en D. VAN GERVEN (eds.), Vermogensplanning met Effect bij Leven : Rechtspersoon, Brussel, Larcier, 2009, (73) 73. (terug)
115. Cf. L. WEYTS, "De coöperatieve vennootschap als instrument voor vermogensplanning en familieregeling", TRV 2008, (559) 560. (terug)
116. Artikel 5:14 WVV. (terug)
117. Artikel 6:15 WVV. (terug)
118. Zie infra nr. 55 et seq. (terug)
119. Artikel 8:4, lid 4 WVV. (terug)
120. Artikel 8:5, § 1, lid 1, 3° WVV. (terug)
121. Uitkeringen in erkende CV's en CV's erkend als sociale onderneming zijn beperkt tot zes procent van de nominale waarde van de aandelen : zie infra nr. 62. (terug)
122. Zie artikel 6:1, § 1, lid 2 WVV. (terug)
123. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 186. (terug)
124. Artikel 362 W.Venn. (terug)
125. Artikel 6:52 WVV. (terug)
126. Artikel 6:50, lid 2 WVV. (terug)
127. H. LAGA, "Bepalingen gemeen aan de C.V. en de C.V.O.H.A. - De C.V.O.H.A." in JAN RONSE INSTITUUT (ed.), De coöperatieve vennootschap na de Wet van 20 juli 1991, Kalmthout, Biblo, 1992, (11) 37. (terug)
128. Artikel 5:63, § 1, lid 2, 1° WVV. (terug)
129. Artikel 5:63, § 1, lid 2, 2° en 3° WVV. (terug)
130. Artikel 6:54, lid 1 WVV. (terug)
131. Zie artikel 366, 2° W.Venn., dat deze bevoegdheid aan de algemene vergadering toekende. In de praktijk werd deze bevoegdheid echter frequent aan het bestuur overgelaten : A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 96. (terug)
132. Artikel 6:54, lid 1, tweede zin WVV. (terug)
133. Artikel 6:54, lid 1, tweede zin WVV. (terug)
134. Artikel 6:54, lid 1, laatste zin WVV. De beslissingsmacht van het bevoegde orgaan om soeverein te beslissen over het al dan niet toelaten van een kandidaat-verwerver tot de vennootschap, zelfs wanneer aan de toelatingsvoorwaarden werd voldaan (Cass. 5 maart 1953, Pas. 1953, I, 519), moet heden dus tegen deze achtergrond worden bekeken. (terug)
135. Artikel 6:54, lid 1 in fine WVV. (terug)
136. Artikel 6:54, lid 2 WVV. (terug)
137. Artikel 5:63, § 1 WVV. (terug)
138. Zie artikel 249, § 1 W.Venn., dat enkel strengere voorwaarden toeliet; M. ROELANTS, "Overdracht van aandelen BV : open of gesloten aandeelhouderschap ?", Balans 2018, nr. 815, 1. (terug)
139. Artikel 6:106 WVV. (terug)
140. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 195.Dit komt uitdrukkelijk tot uiting in de definitie van de CV vervat in artikel 6:1, § 1, laatste lid WVV. (terug)
141. Artikel 6:105 WVV en supra nr. 22. (terug)
142. Artikel 6:105 juncto 6:52 en 6:54 WVV. (terug)
143. Artikel 6:105 juncto 6:54 WVV. (terug)
144. Zie supra nr. 22. (terug)
145. Artikel 6:106 WVV en artikel 6:105 juncto 6:54 WVV. (terug)
146. Artikel 6:107, § 1, lid 1 WVV. (terug)
147. Artikel 6:108, § 1, lid 2 WVV. (terug)
148. Artikel 6:108, § 2 WVV. (terug)
149. Artikel 6:108, § 2 WVV. (terug)
150. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 195. (terug)
151. Infra nr. 26. (terug)
152. Artikel 6:108, § 2, lid 2 WVV. (terug)
153. Artikel 6:13, lid 1, 4° WVV. (terug)
154. Infra nr. 34. (terug)
155. Infra nr. 28 et seq. (terug)
156. Artikel 5:120 WVV. (terug)
157. Enkel indien bijkomende inbrengen worden gedaan zonder uitgifte van nieuwe aandelen, volstaat een gewone meerderheid (artikel 5:120, § 2 WVV). (terug)
158. Artikel 5:121, § 1, lid 1 WVV. (terug)
159. Artikel 5:121, § 1, lid 3 WVV. (terug)
160. Artikel 5:134 WVV. (terug)
161. Artikel 5:137 WVV. (terug)
162. Artikel 5:128 WVV. Enkel bij inbrengen in natura is er geen voorkeurrecht. (terug)
163. Artikel 5:130, § 1 en § 2 WVV. Indien de bevoegdheid om tot uitgave over te gaan wordt gedelegeerd naar het bestuur, moet de machtiging van de algemene vergadering uitdrukkelijk melding maken van de mogelijkheid voor de raad van bestuur om aandelen uit te geven met opheffing van het voorkeurrecht (artikel 5:135 WVV). (terug)
164. Zie daarover supra nr. 16. (terug)
165. Artikel 6:87, lid 1 WVV. (terug)
166. Artikel 5:102, lid 3 WVV. (terug)
167. Artikel 6:120, § 1, 3° WVV. De zinsnede "tenzij de statuten anders bepalen [...]" van dit artikel heeft o.i. enkel betrekking op de suppletieve regel dat een aandeelhouder in principe met al zijn aandelen uittreedt, maar niet op het deel van het artikel dat bepaalt dat de aandelen worden vernietigd. Door de algemene formulering van artikel 6:53 WVV mag een CV immers nooit haar eigen aandelen verkrijgen, ook niet door een inkoop, wat bij een uittreding zonder vernietiging van de aandelen op hetzelfde zou neerkomen. (terug)
168. In het kader van de masterproef van een van de auteurs werden ongeveer 350 oprichtingsakten van CVBA's uit de tijdspanne 2010-2017 geanalyseerd. Enkele bevindingen daaruit zullen in onderhavige titel worden verwerkt. Zie L. DE MEULEMEESTER, De bepaling van het scheidingsaandeel in coöperatieve vennootschappen, onuitg. masterproef UGent, 2018, 148 p. (terug)
169. Artikel 2:60 WVV. De geschillenregeling is enkel van toepassing op niet-genoteerde BV's en NV's. (terug)
170. Artikel 6:53 WVV. Enkel voor CV's die kwalificeren als professionele effectenhandelaar, beursvennootschap of kredietinstelling is een uitzondering voorzien. De onmogelijkheid om tot dergelijke transacties over te gaan bleek vroeger niet uit de wet. (terug)
171. Zie wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 191. (terug)
172. Artikelen 5:154 en 5:155 WVV. (terug)
173. Artikel 2:60-2:69 WVV. Een succesvolle vordering tot uittreding of uitsluiting resulteert in een gedwongen aandelenoverdracht, waarbij de aandelen blijven voortbestaan en niet de vennootschap maar een andere aandeelhouder de uitkoopsom betaalt. (terug)
174. Wij denken vooral aan situaties waarbij een aandeelhouder buitengerechtelijk zou worden uitgesloten wegens een 'foutloze' gegronde reden (infra nr. 39), en bij uittredingen wegens gegronde reden indien ook een mogelijkheid tot buitengerechtelijke uittreding voorhanden is. In beide gevallen zal het voor de geviseerde aandeelhouder aantrekkelijk zijn om een gerechtelijke uittreding te vorderen bij een laag scheidingsaandeel; zie hieromtrent ook R. HOUBEN, "Uitsluiting en uittreding", TBH 2018, (1131) 1138, nr. 17; R. TAS en T. VOS, "De geschillenregeling 2.0 - Wijzigingen aan de geschillenregeling in het wetboek van vennootschappen en verenigingen" in M. WYCKAERT e.a. (eds.), Themis 105 - Vennootschapsrecht, Brugge, die Keure, 2018, (95) 97-99. (terug)
175. A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 103, nr. 137. (terug)
176. Artikel 6:120, § 1, lid 1, 3° WVV. (terug)
177. Artikel 6:120, § 1, lid 1 WVV. (terug)
178. Bv. Gent 25 januari 1984, RW 1983-84, 2773; Kh. Luik 19 februari 1939, RPS 1940-46, 22. (terug)
179. A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 108, nr. 142; J. CORBIAU, "De la démission et de l'exclusion d'associés dans les sociétés coopératives", RPS 1906, nr. 1659, (1) 3, nr. 6. (terug)
180. Artikel 6:120, § 1, lid 2 WVV. (terug)
181. Artikel 6:120, § 2, lid 1 WVV. (terug)
182. Een rechtsvergelijkend voorbeeld kan dit illustreren. In de Franse société à capital variable (een vennootschapsmodaliteit die overeenkomst met de Belgische CVBA), wordt het uittredingsrecht van openbare orde beschouwd. Het Franse Hof van Cassatie heeft echter geoordeeld dat de statutaire bepaling die in een anciënniteitsvereiste voorziet van 30 jaar, geldig is (Cass. civ. fr. 30 mei 1995, Bull. civ. 1995, I, nr. 231). In eerdere cassatierechtspraak werden termijnen van 50 of 99 jaar wel als nietig beschouwd; zie de verwijzingen bij M. JEANTIN en P. LE VEY, "Sociétés à capital variable" in Sociétés traité, 2007, Fasc. 167-10, losbl., 7, nr. 35. (terug)
183. In het kader van de nieuwe liquiditeitstest zal het bestuur voor de daadwerkelijke uitbetaling van het scheidingsaandeel sowieso een beoordeling hieromtrent moeten doorvoeren. Deze test heeft echter enkel betrekking op de minimale financiële draagkracht van de vennootschap gedurende minimum de eerstvolgende 12 maanden, en heeft bovendien bij weigering niet tot gevolg dat de uittreding zelf teruggedraaid wordt. Enkel de betaling van het scheidingsaandeel wordt opgeschort (zie verder randnummer 48). (terug)
184. In de onderzochte statuten kwam dit ongeveer in een derde van de statuten voor (zie supra voetnoot 168). (terug)
185. Zie Luik 23 maart 2000, TBH 2001,733 over een dergelijke bevoegdheid van het bestuur in de uitbetalingsfase. (terug)
186. J. GUILLERY, Des sociétés commerciales en Belgique. Commentaire de la loi du 18 mai 1873, t. III, 2e ed., Brussel, Bruylant, 1883, 120, nr. 964. Dit was echter vooral relevant onder de oorspronkelijke regeling dat het scheidingsaandeel berekende op basis van de balans van het vorige boekjaar. We zien echter dat het WVV terugkeert naar deze berekeningsbasis; zie infra nr. 43 et seq.(terug)
187. Artikel 6:120, § 1, lid 2, 2° WVV. (terug)
188. Cass. 9 juni 1938, Pas. 1938, I, 212; Brussel 5 mei 2009, RABG 2010, afl. 3, 173; Kh. Gent 14 december 1939, RPS 1940, nr. 3869, 122; J. MALHERBE, Y. DE CORDT, P. LAMBRECHT en P. MALHERBRE, Droit des sociétés. Précis, Brussel, Bruylant, 2011, 994, nr. 1453. (terug)
189. De jaarrekening dient immers binnen de zes maand na het afsluiten van het boekjaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering (artikel 3:1, § 1 WVV). (terug)
190. Bijvoorbeeld contractuele leverings- of afnameverplichtingen die samenhangen met het aandeelhouderschap. (terug)
191. Waarbij dergelijke afwijking o.i. enkel kan gelden voor zowel plichten verbonden aan het aandeelhouderschap (zoals bijvoorbeeld contractuele verplichtingen) als rechten verbonden aan het aandeelhouderschap (bijvoorbeeld stemrecht op de algemene vergadering, inzagerecht, ...). Men kan immers geen essentiële aandeelhoudersrechten verbieden, zodat een afwijking van deze regel enkel betrekking kan hebben op het volledige aandeelhouderschap. (terug)
192. Artikel 6:120, § 1, 1° WVV. (terug)
193. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 186. Oprichters kunnen immers aansprakelijk worden gesteld indien de vennootschap failliet gaat binnen drie jaar na oprichting, indien blijkt dat de vennootschap onvoldoende gefinancierd bleek gedurende de eerste twee jaar na oprichting; artikel 6:17, 2° WVV voor de CV; 5:16, 2° WVV voor de BV. (terug)
194. Kh. Luik (afd. Namen), TRV-RPS 2018, 585, noot A.-P. ANDRÉ-DUMONT; Luik 30 oktober 2014, TRV 2015, 686, noot; Brussel 30 augustus 2006, RPS 2008, nr. 6981, 98, noot A.-P. ANDRÉ-DUMONT; B. VAN BRUYSTEGEM, "Commentaar bij art. 367 W.Venn." in H. BRAECKMANS e.a. (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10, april 2002, losbl., 7; A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 40, nr. 41; contra :H. DU FAUX, "Les sociétés coopératives", Rép.not., XII, Brussel, Larcier, 1994, 82, nr. 72. Zie supra nr. 15 over de gevolgen van het niet langer driehoofdig zijn van de CV. (terug)
195. In zo'n 75 % van de onderzochte statuten werd in een dergelijke clausule voorzien (zie supra voetnoot 168). (terug)
196. Artikel 6:120, § 2 WVV. (terug)
197. Artikel 6:124 WVV. (terug)
198. Artikel 5:154, § 1, lid 1 WVV. (terug)
199. Artikel 5:154, § 2, lid 1 WVV. (terug)
200. Artikel 5:154, § 3 WVV. (terug)
201. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 188. (terug)
202. Advies RvS nr. 61.988/2 van 9 oktober 2017 bij het wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen van 4 juni 2018, deel II, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/002, 80. In de CV moet, zoals hoger vermeld, het bestuur enkel het totale aantal aandelen die per einde boekjaar uitstaan vermelden in het jaarverslag of desgevallend neerleggen bij de jaarrekening (artikel 6:124 WVV). (terug)
203. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 188. (terug)
204. Artikel 6:121 WVV; het vroegere artikel 375 W.Venn. (terug)
205. Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 196. (terug)
206. Artikel 5:156, § 1 WVV. (terug)
207. Artikel 5:156, § 1, lid 1 juncto artikel 5:154, § 3 WVV. (terug)
208. Artikel 5:65 WVV. In dat geval hebben de erfgenamen recht op de waarde van de aandelen ten laste van de zich verzettende aandeelhouders of vennootschap. Bij gebrek aan overeenstemming bepaalt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel de prijs van de aandelen. (terug)
209. Artikel 6:122 WVV. (terug)
210. Zie infra nr. 39; B. VAN BRUYSTEGEM, "Commentaar bij art. 370 W.Venn." in H. BRAECKMANS e.a. (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10, oktober 2002, losbl., 6. (terug)
211. De parlementaire voorbereiding van het WVV geeft zelf aan dat de wijzigingen louter stilistisch zijn : wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, deel I, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119, 196. (terug)
212. Parl.St. Senaat 1990-91, nr. 1374/12-19, 6. Enkele voorbeelden : Gent 4 januari 2016, TRV-RPS 2016, 998, noot D. VAN GERVEN; Gent 10 november 2008, TRV 2013, 527, noot B. SAMYN. (terug)
213. Zie Luik 18 april 2013, Rev.dr.ULg 2016/2, 375, noot O. CAPRASSE en L. LEONARD; Kh. Gent 25 september 2001, TGR 2001, 343. (terug)
214. Zie bv. Kh. Dendermonde 24 juni 2010, TRV 2010, 522, noot D. VAN GERVEN; O. CAPRASSE en R. AYDOGDU, "L'exclusion et le retrait non judiciaires dans les sociétés à responsabilité limitée", DAOR 2007, afl. 83, (277) 284, nr. 17. (terug)
215. Gent 4 januari 2016, TRV-RPS 2016, 998, noot D. VAN GERVEN. (terug)
216. In de onderzochte statuten kwam dergelijke verwijzing in ongeveer een derde van de statuten voor. (terug)
217. Pro : Luik 12 mei 1897, RPS 1898, nr. 847, 17, noot; T. DELAHAYE, La société coopérative à responsabilité illimitée en droit commercial belge, Brussel, Bruylant, 1994, 261, nr. 386; H. LAGA, "Het reglement van inwendige orde in vennootschappen", TPR 1993, 918, nr. 22; J. 'T KINT en M. GODIN, Les sociétés coopératives, Brussel, Larcier, 1968, 126, nr. 359; contra : Kh. Brussel 17 december 2007, TRV 2008, 139, noot en JLMB 2009, afl. 7, 326, noot P. KILESTE en C. STAUDT. (terug)
218. Infra nr. 52 et seq. (terug)
219. Artikel 6:123, § 3 WVV. (terug)
220. Artikel 6:123, , § 1, lid 2 WVV. (terug)
221. Artikel 6:123, § 3, lid 1 WVV. (terug)
222. Zie artikel 5:155, § 1, lid 1 WVV : "De statuten kunnen bepalen dat de vennootschap een aandeelhouder om een wettige reden of omwille van een andere in de statuten vermelde reden kan uitsluiten [eigen onderlijning]". (terug)
223. Artikel 5:155, § 1, lid 2 WVV. (terug)
224. Artikel 5:155, § 5 WVV. (terug)
225. Artikel 6:121, lid 2 en 6:123, § 3 WVV (CV); 5:156, § 1 WVV (BV). Bij de uitsluiting in de BV is deze bepaling niet overgenomen. Dit lijkt o.i. echter een vergetelheid te zijn van de wetgever, aangezien dergelijke vorderingsmogelijkheid voor uitgesloten aandeelhouders het hele uitsluitingsmechanisme zou ondergraven. (terug)
226. Zie infra nr. 44 et seq. (terug)
227. Het recht op dividend is een patrimoniaal recht verbonden aan de aandelen, waardoor aandeelhouders die hun hoedanigheid zijn verloren en waarbij hun aandelen werden vernietigd, geen vordering meer hebben op dividenden die worden uitgekeerd na hun vertrek. Onder het oude recht werd aangenomen dat verlatende aandeelhouders recht hadden op dividenden pro rata temporis in functie van het tijdstip waarop ze de hoedanigheid van aandeelhouder hadden verloren. Dit hield echter verband met de regeling exartikel 374 W.Venn. waarbij het scheidingsaandeel werd berekend op de balans van het lopende boekjaar na de resultaatsverwerking, waarbij de verlatende aandeelhouder in principe recht had op zijn corresponderend deel in de reserves; zie B. VAN BRUYSTEGEM, "Commentaar bij art. 374 W.Venn." in H. BRAECKMANS e.a. (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10, oktober 2002, losbl., 14; P. DELLA FAILLE, Fusions, acquisitions et évaluations d'entreprises, Brussel, Larcier, 2001, 501, nr. 1059. (terug)
228. J. MALHERBE e.a., Droit des sociétés. Précis, Brussel, Bruylant, 2011, 1000, nr. 1456; B. VAN BRUYSTEGEM, "Commentaar bij art. 374 W.Venn." in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10, oktober 2002, losbl., 6; J.-P. BOURS en O. CAPRASSE, "La société coopérative" in C. JASSOGNE (ed.), Traité pratique de droit commercial, t. IV, Diegem, Story-scientia, 1998, (677) 705-706, nr. 980; P. VAN OMMESLAGHE, "Les sociétés coopératives, les sociétés civiles professionnelles et interprofessionnelles et les sociétés de moyens" in L. DABIN e.a. (eds.), Les sociétés commerciales, Brussel, éditions du jeune barreau, 1985, (317) 330; J. 'T KINT en M. GODIN, Les sociétés coopératives, Brussel, Larcier, 1968, 139, nr. 404 e.v. (terug)
229. Door de afschaffing van het kapitaalconcept zijn inbrengen in principe vrij uitkeerbaar, en kunnen zij dus tijdens de duur van de vennootschap al terugbetaald worden, weliswaar met inachtname van de balans- en liquiditeitstest. (terug)
230. Artikel 6:120, § 1, lid 2, 5° WVV. (terug)
231. L. DE MEULEMEESTER, "De waarderingsperikelen bij de bepaling van het scheidingsaandeel in de CV(BA) : de ene exit is de andere niet", TRV-RPS 2019, (796) 800. Zeker in geval van faillissement, kennelijk onvermogen of vereffening van een aandeelhouder (en de daaropvolgende uittreding van rechtswege), werkt deze waardering in het nadeel van de persoonlijke schuldeisers van de aandeelhouder. Zie J. VANANROYE, "De persoonlijke schuldeiser van een aandeelhouder : het ondergeschoven kind van het vennootschapsrecht", TBH 2019, (343) 344-345. (terug)
232. In de onderzochte statuten werd in ongeveer twee derde van de gevallen een kleiner scheidingsaandeel toegekend dan de nettoactiefwaarde van het aandelenpakket (zie supra voetnoot 168). (terug)
233. Cf. J. VANANROYE, "De persoonlijke schuldeiser van een aandeelhouder : het ondergeschoven kind van het vennootschapsrecht", TBH 2019, (343) 345. (terug)
234. Al zijn degelijke mechanismen qua werking fundamenteel anders, zowel qua voorwaarden als het feit dat in dergelijke gevallen de vennootschap niet instaat voor de uitbetaling. (terug)
235. Cass. 18 november 2011, JLMB 2012, afl. 4, 162; Brussel 13 mei 1987, JT 1987, (613) 614; J. MALHERBE e.a., Droit des sociétés. Précis, Brussel, Bruylant, 2011, 998, nr. 1455; A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 136, nr. 193. (terug)
236. J. CORBIAU, "De la démission et de l'exclusion d'associés dans les sociétés coopératives", RPS 1906, nr. 1667, (34) 35, nr.17. (terug)
237. Infra nr. 48. (terug)
238. Dergelijk onderscheid kwam in ongeveer 20 % van de onderzochte statuten voor (zie supra voetnoot 168). (terug)
239. Luik 18 april 2013, Rev.dr.ULg 2016/2, 375, noot O. CAPRASSE en L. LEONARD; Luik 23 maart 2000, TBH 2001, 733; Gent 25 januari 1984, RW 1983-84, 2773; A.-P. ANDRÉ-DUMONT, "L'exclusion d'associés dans les sociétés coopératives" in P.A. FORIERS e.a. (eds.), Les conflits au sein des sociétés commerciales ou à la forme commerciale, Brussel, éditions du jeune barreau de Bruxelles, 2004, (201) 227, nr. 45; A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 132, nr. 189; J. 'T KINT en M. GODIN, Les sociétés coopératives, Brussel, Larcier, 1968, 139, nr. 402. Contra : J.-P. BOURS en O. CAPRASSE, "La société coopérative" in C. JASSOGNE (ed.), Traité pratique de droit commercial, t. IV, Diegem, Story-scientia, 1998, (677) 705, nr. 980; L. FREDERICQ, Traité de droit commercial belge, t. V, Gent, Fecheyr, 1950, 983, nr. 698. (terug)
240. Artikel 6:120, § 1, lid 2, 6° WVV. (terug)
241. Een volledige bespreking van de vernieuwde regels inzake het (eigen) vermogen van de vennootschap gaat het bestek van deze bijdrage te buiten. (terug)
242. Artikel 427 W.Venn. (terug)
243. Het nettoactief dient te worden berekend op basis van de laatst goedgekeurde jaarrekening, of een recentere staat van activa en passiva. (terug)
244. Artikel 6:115 WVV. Zie voor een bespreking : M. ROELANTS, "Dubbele uitkeringstest in BV en CV : rol commissaris en reparatiewet", Balans 2019, nr. 827, 1. (terug)
245. Artikel 6:116 WVV. (terug)
246. Artikel 6:116, lid 2 WVV. (terug)
247. Artikel 6:117, lid 2 WVV. (terug)
248. Artikel 371 W.Venn. (terug)
249. Artikel 6:120, § 1, lid 3 WVV. (terug)
250. Cass. 18 november 2011, JLMB 2012, afl. 4, 162; B. VAN BRUYSTEGEM, "Commentaar bij art. 374 W.Venn." in H. BRAECKMANS e.a. (eds.), Vennootschappen en verenigingen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, deel 3, afl. 10, oktober 2002, losbl., 11. (terug)
251. Artikel 6:120, § 1, 4° WVV. (terug)
252. Op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar krijgen de uittreding van rechtswege en de uitsluiting uitwerking (zie de verwijzing in voetnoot 250). (terug)
253. Artikel 6:121, lid 1; artikel 6:122, lid 2 en artikel 6:123, § 3, lid 1 WVV juncto artikel 6:120, § 1, lid 1, 4° WVV. (terug)
254. Artikelen 6:121, lid 1; 6:122, lid 2 en 6:123, § 3, lid 1 WVV stellen artikel 6:120, § 1, lid 1, 2° WVV buiten toepassing, dat bepaalt dat aandeelhouders slechts gedurende de eerste zes maanden van het boekjaar kunnen uittreden. (terug)
255. De door de wet voorgeschreven uitbetalingsdatum zou voor deze gevallen immers in het verleden liggen. (terug)
256. Artikel 6:121, lid 1 WVV stelt het volgende : "Tenzij de statuten anders bepalen, wordt in geval van overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen, vereffening of onbekwaamverklaring van een aandeelhouder hij op dat ogenblik van rechtswege geacht uit te treden [eigen onderlijning]". Artikel 6:122, lid 1 WVV stelt het volgende : "De statuten kunnen bepalen dat de aandeelhouder die niet langer beantwoordt aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden, wordt geacht op dat ogenblik van rechtswege uit te treden [eigen onderlijning]". (terug)
257. Artikel 6:70, § 1, lid 2 WVV. Vergelijk met artikel 5:83, lid 3 WVV voor de BV. (terug)
258. Vergelijk artikel 6:70, § 2 en artikel 5:84 WVV. (terug)
259. Artikel 6:85 WVV : "behoudens andersluidende statutaire bepaling ...". Vergelijk met artikel 5:100 voor de BV. (terug)
260. Artikel 6:86 WVV; zie artikel 5:101 voor de BV. (terug)
261. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 193. (terug)
262. Soms ook wel 'huishoudelijk reglement' of 'reglement van inwendige orde' genoemd. (terug)
263. H. LAGA, "Het reglement van inwendige orde in vennootschappen", TPR 1993, (895) 896, nr. 1. (terug)
264. H. LAGA, "Het reglement van inwendige orde in vennootschappen", TPR 1993, (895) 900, nr. 4. (terug)
265. Ibid, (895)906-910; N. HALLEMEESCH, Aandeelhoudersovereenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2019, 7, nr. 15. (terug)
266. H. LAGA, "Het reglement van inwendige orde in vennootschappen", TPR 1993, (895) 940, nr. 13; D. VAN GERVEN, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Gent, Larcier, 2016, 353, nr. 217. (terug)
267. H. LAGA, "Het reglement van inwendige orde in vennootschappen", TPR 1993, (895) 918, nr. 22-23. (terug)
268. Ibid, (895) 916, nr. 19-20. (terug)
269. Artikel 2:59, lid 1 WVV; ibid, (895) 918, nr. 22-23. (terug)
270. Artikel 2:59, lid 1, 2° en 3° WVV. (terug)
271. Dat belet natuurlijk niet dat aandeelhouders tal van onderlinge rechtsverhoudingen kunnen regelen via een aandeelhoudersovereenkomst. Deze zijn echter niet tegenwerpelijk aan de vennootschap. Een waardebepaling van het scheidingsaandeel kan bijvoorbeeld niet in dergelijk intern reglement, aangezien de vennootschap daarbij de uitkerende partij is. Dit is bijvoorbeeld anders bij conventionele voorkooprechten tussen aandeelhouders, waarbij enkel de aandeelhouders onderling verbintenissen aangaan tegenover elkaar. (terug)
272. Toch lijkt een onderscheid te moeten worden gemaakt naargelang enerzijds het orgaan dat het reglement opmaakt, en anderzijds de precieze inhoud daarvan. Artikel 2:59 WVV regelt in een enge lezing immers enkel de situatie waarbij het bestuur een intern reglement uitvaardigt. De situatie waarbij de algemene vergadering zelf dergelijk reglement uitvaardigt en waarbij de statuten uitdrukkelijk verwijzen naar het bestaan van een dergelijk reglement, valt aldus in principe niet onder de regeling van artikel 2:59 WVV. In een dergelijke lezing zouden zij bijvoorbeeld bijkomende bepalingen kunnen bevatten omtrent de rechten van de aandeelhouders (bijvoorbeeld allerhande vergoedingsregelingen in professionele vennootschappen). Echter, dan nog valt moeilijk te argumenteren dat zij afwijkingen van suppletiefrechtelijke regelen mogen bevatten waarvoor het WVV uitdrukkelijk een statutaire bepaling vereist. De parlementaire voorbereiding verwijst overigens uitdrukkelijk naar de mogelijkheid om een intern reglement uit te laten vaardigen door de algemene vergadering, maar maakt geen verder onderscheid omtrent de geldigheidsvoorwaarden zoals die gelden voor reglementen uitgevaardigd door het bestuur (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 75). (terug)
273. Artikel 6:69, § 2 WVV. (terug)
274. Zie memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 194. (terug)
275. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 193-194. (terug)
276. Artikel 6:69, § 2 WVV. (terug)
277. Artikel 6:69, § 2 WVV. (terug)
278. Het oorspronkelijke ontwerp vermeldde uitdrukkelijk dat deze instemming ook gold bij latere wijzigingen (zie oorspronkelijk artikel 6:3, § 2, lid 3 WVV; memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 574). Indien men zou aannemen dat dergelijke toestemming niet vereist is, dan zou men de voorwaarde van de statutaire toestemming volledig uithollen, doordat op die manier het bestuur de ongecontroleerde bevoegdheid zou hebben om het reglement na de eerste uitvaardiging aan te passen. (terug)
279. In de gemeenrechtelijke regeling uit artikel 2:59 WVV is dergelijke goedkeuring niet vereist, omwille van de beperkte draagwijdte van het reglement. Dit moet evenzeer gelden voor interne reglementen in de CV die de draagwijdte van artikel 2:59 WVV niet overschrijden. (terug)
280. Artikel 2:59, lid 2 WVV. (terug)
281. Artikel 6:1, § 3 juncto 8:4 WVV. (terug)
282. BS 10 augustus 1955. (terug)
283. BS 19 januari 1962. (terug)
284. Artikel 5 juncto artikel 9 en 12 KB '62. De erkenning kan evenwel worden geweigerd als zou blijken dat de statuten of de werking van de CV niet conform zijn met het op haar van toepassing zijnde vennootschapsrecht. Zie artikel 5, lid 3 NRC-wet. (terug)
285. Artikel 5, lid 3 KB '62. Wanneer een erkende CV niet langer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden dan spreekt de minister bevoegd voor economische zaken de schrapping van deze vennootschap uit. Zie artikel 7 KB '62. (terug)
286. Artikel 1, § 7 KB '62. (terug)
287. Artikel 8:7, lid 1 WVV. In voorkomend geval kan de rechtbank een termijn aan de vennootschap toestaan om haar toestand te regulariseren. Zie artikel 8:7, lid 3 WVV. (terug)
288. Tot voor de inwerkingtreding van het WVV heette de Nationale Raad voor Coöperatie, het Sociaal Ondernemerschap en de Landbouwonderneming kortweg de Nationale Raad voor de Coöperatie. Om de leesbaarheid van de bijdrage te faciliteren opteren wij ervoor om het verkorte acroniem "NRC" te blijven hanteren. (terug)
289. Artikel 5 NRC-wet. De wijze van vertegenwoordiging in de NRC wordt geregeld in de NRC-wet, maar wordt in deze bijdrage niet behandeld. (terug)
290. Artikel 1/1, 1° NRC-wet. (terug)
291. FOD ECONOMIE, Lijst van erkende coöperatieve vennootschappen en erkende groeperingen van coöperatieve vennootschappen (lijst bijgewerkt tot en met 27 augustus 2019), beschikbaar via https://economie.fgov.be/sites/default/files/Files/Entreprises/Liste-des-cooperatives-agreees.pdf. (terug)
292. Zie daarover artikel 8:5, § 1 WVV. Een bespreking van deze voorwaarden valt buiten het bestek van deze bijdrage. (terug)
293. Zie artikel 8:5 WVV. Zie over deze erkenning en het overgangsrecht : M. ROELANTS, "Landbouwonderneming en sociale onderneming : erkenningen en vermoedens", Balans 2019, nr. 836, 1. (terug)
294. Artikel 5, lid 1, a) NRC-wet juncto artikel 1, § 1, 1° KB '62. Terecht wordt in de literatuur gesteld dat het door de wetgever bedoelde open karakter van de erkende CV wellicht enkel kan blijken uit een aantal kenmerken die niet of moeilijk uit te drukken zijn in de teksten van de statuten. Zie A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 535. (terug)
295. In tegenstelling tot wat het geval is in het WVV, wordt in de NRC-wet en het KB '62 nog steeds de courante term 'vennoot' gebruikt in de plaats van 'aandeelhouder'. In het WVV wordt de term 'vennoot' voorbehouden voor de vennootschappen met onbeperkte aansprakelijkheid. Om de consistentie te bewaren opteren wij er dan ook voor om de term 'aandeelhouder' te gebruiken. (terug)
296. Artikel 1, § 1, 1° KB '62. (terug)
297. Anders dan bij de niet-erkende CV (zie supra nr. 24), mag de toetreding van kandidaat-aandeelhouders die volgens de statuten geschikt zijn om toe te treden tot de vennootschap dus niet worden geweigerd, tenzij zij daden zouden verrichten die in strijd zijn met de belangen van de vennootschap. (terug)
298. Artikel 1, § 2 KB '62. (terug)
299. Zie artikel 1 KB '62 zoals van toepassing tot voor de inwerkingtreding van artikel 3 KB van 4 mei 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, BS 17 mei 2016 (hierna : KB 4 mei 2016). (terug)
300. Artikel 5, lid 1, b) NRC-wet. (terug)
301. Artikel 1, § 1, 3° KB '62. (terug)
302. Artikel 1, § 3 KB '62. (terug)
303. Artikel 1, § 3 KB '62. (terug)
304. Zie https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/een-onderneming-oprichten/belangrijkste-stappen-om-een/vennootschapsvormen/cooperatieve- vennootschappen/erkenning/erkenningsvoorwaarden-van. (terug)
305. Cf. A. VAN HULLE en K. VAN HULLE, De coöperatieve vennootschap, Antwerpen, Kluwer, 1996, 536. (terug)
306. Zie supra nr. 16. (terug)
307. Artikel 1, § 1, 2° KB '62. (terug)
308. Voor de BV en de CV werd immers afgestapt van het kapitaalconcept. (terug)
309. Zie supra voetnoot 90. (terug)
310. Artikel 5, lid 1, c) NRC-wet juncto artikel 1, § 1, 4° KB '62. In tegenstelling tot vroeger verwijst het KB '62 niet meer naar de noodzaak de controlerende aandeelhouders desgevallend te laten benoemen door de algemene vergadering. Cf. artikel 1, § 1, c) KB '62 zoals van toepassing tot voor de inwerkingtreding van artikel 3 KB 4 mei 2016. (terug)
311. Artikel 1, § 4, lid 1 KB '62. (terug)
312. Artikel 1, § 4, lid 2 KB '62. (terug)
313. Zie artikel 1, § 2, 4° KB '62 zoals van toepassing tot voor de inwerkingtreding van artikel 3 KB 4 mei 2016. (terug)
314. Artikel 1, § 1, 7° KB '62. (terug)
315. Artikel 1, § 6 KB '62. (terug)
316. Artikel 1, § 1, 5° KB '62 verwijst nog naar de achterhaalde notie "maatschappelijk kapitaal". (terug)
317. Artikel 5, lid 1, d) NRC-wet juncto artikel 1, § 1, 5° KB '62. (terug)
318. Cf. artikel 1, § 1, e) KB '62 zoals van toepassing tot voor de inwerkingtreding van artikel 3 KB 4 mei 2016. Onder ristorno wordt begrepen : een uitkering aan de aandeelhouders pro rata de verrichtingen die zij met de vennootschap hebben gedaan. (terug)
319. Artikel 5, lid 1, e) NRC-wet. (terug)
320. Het KB '62 verwijst naar het ristorno met de notie "coöperatieve teruggave". (terug)
321. Artikel 1, § 5 KB '62. (terug)
322. Artikel 8:4, lid 3 WVV. (terug)
323. Artikel 1, § 1, 6° KB '62 juncto artikel 5, lid 1, e) NRC-wet. (terug)
324. Artikel 1, § 8 KB '62. (terug)
325. Artikel 1, § 1, 8° KB '62. (terug)
326. Artikel 8:4, lid 2 WVV. (terug)
327. Zie https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/een-onderneming-oprichten/belangrijkste-stappen-om-een/vennootschapsvormen/cooperatieve- vennootschappen/erkenning/voordelen-verbonden-aan-de. (terug)
328. Normaliter worden uitgekeerde dividenden inbegrepen in de belastbare winst van een vennootschap. Zie artikel 185, § 1, lid 1 WIB '92. De oude regeling, waarbij aandeelhouders ex artikel 21, lid 1, 6° WIB '92 een vrijstelling van belasting genoten op een deel van de dividenden, bestaat thans niet meer. (terug)
329. Artikel 185, § 1, lid 1 WIB '92. Het basisbedrag bedraagt 125 euro, maar is te indexeren overeenkomstig artikel 178, § 3, lid 2 WIB '92. (terug)
330. Ex artikel 1:24, §§ 1 tot 6 WVV. (terug)
331. Artikel 215, lid 2 WIB '92. (terug)
332. Zie artikel 215, lid 3 WIB '92. (terug)
333. Artikel 215, lid 3 WIB '92. (terug)
334. Artikel 18, lid 1, 4° juncto lid 8 WIB '92. (terug)
335. Artikel 3, 1° KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, BS 5 december 1969. (terug)
336. Ibid. (terug)
337. Memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 3119/001, 192. (terug)
338. Supra nr. 4. (terug)
339. Zie supra voetnoot 14 en bijhorende tekst. (terug)
340. Artikel 39, § 1, lid 1 Invoeringswet WVV. (terug)
341. Artikel 39, § 1, lid 3 Invoeringswet WVV. (terug)
342. Artikel 39, § 1, lid 3 Invoeringswet WVV. (terug)
343. Artikel 39, § 1, lid 3 Invoeringswet WVV. (terug)
344. Artikel 39, § 2, lid 1 Invoeringswet WVV. (terug)
345. Artikel 39, § 2, lid 1 Invoeringswet WVV. (terug)
346. Artikel 39, § 2, lid 1 Invoeringswet WVV. (terug)
347. Artikel 41, § 1, lid 1 Invoeringswet WVV. De hier aangehaalde wetsbepaling bevat een gelijkaardige regel voor CVOA's, maar dan met verwijzing naar de regelen voor de vennootschap onder firma. (terug)
348. Artikel 41, § 1, lid 2 Invoeringswet WVV. (terug)
349. De benaming van een vennootschapsvorm is immers een dwingend voorschrift. (terug)
350. Artikel 172, 1° wetsvoorstel tot omzetting van Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, en houdende vennootschaps- en verenigingsbepalingen, nr. 55-0553/001, 54 en 121. Bestaande CVBA's die wel onder de definitie van artikel 6:1 WVV vallen, worden vanaf 1 januari 2020 van rechtswege als "coöperatieve vennootschap (CV)" aangeduid. (terug)
351. Artikel 41, § 1, lid 1, 5e streepje Invoeringswet WVV. (terug)
352. Artikel 41, § 2, 5e streepje Invoeringswet WVV. (terug)
353. Artikel 41, § 3, lid 1 Invoeringswet WVV. (terug)
354. Artikel 41, § 3, lid 2 Invoeringswet WVV. (terug)
355. Dit is het deel van het kapitaal dat uit de statuten blijkt; artikel 69, lid 1, 5° W.Venn. (terug)
356. Artikel 39, § 2, lid 2 Invoeringswet WVV. Dit heeft als implicatie dat zij hun rol als kapitaalbuffer blijven vervullen, omdat zij in rekening zullen worden gebracht bij toepassing van de balanstest indien de CV tot uitkering zou overgaan. (terug)
357. Artikel 39, § 2, lid 2 Invoeringswet WVV. Wanneer de inbreng wordt volgestort moeten de gestorte bedragen worden geboekt op de onbeschikbare eigen vermogensrekening. (terug)
358. Zie artikel 427 en 429 W.Venn.; J.-M. NELISSEN GRADE, "Le droit transitoire", TBH 2018, (1236) 1239. (terug)
359. Artikel 172, 2° wetsvoorstel tot omzetting van Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, en houdende vennootschaps- en verenigingsbepalingen, nr. 55-0553/001, 54 en 122. (terug)
360. Artikel 41, § 1, lid 1, 5e streepje Invoeringswet WVV. Dit impliceert dat het vast kapitaalgedeelte gehandhaafd moet blijven wanneer de vennootschap tot uitkeringen wil overgaan (artikel 417 en 419 W.Venn). Indien men het vast kapitaalgedeelte zou willen uitkeren, dan volstaat een omvorming naar een andere vennootschapsvorm (BV), waarbij middels de daarvoor vereiste statutenwijziging het onbeschikbare vast kapitaalgedeelte tot een beschikbare eigen vermogensrekening kan worden omgevormd (infra). Uiteraard is het variabel kapitaalgedeelte net zoals in de 'eigenlijke' CV's (en conform het W.Venn.) steeds volledig uitkeerbaar. (terug)
361. Artikel 173 wetsvoorstel tot omzetting van Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft, en houdende vennootschaps- en verenigingsbepalingen, nr. 55-0553/001, 54 en 122. (terug)
362. Artikel 39, § 1, lid 3 Invoeringswet WVV; J.-M. NELISSEN GRADE, "Le droit transitoire", TBH 2018, (1236) 1240. (terug)
363. In beide gevallen zal echter de balans- en liquiditeitstest moeten worden gevolgd, vermits het uitkeringen aan aandeelhouders betreft; ibid.(terug)
364. Cf. R. HOUBEN, "De CV voor professionele vennootschappen van vrije beroepen : C4 ?", TRV-RPS 2019, (449) 450. (terug)
365. Contra : A. FRANÇOIS en M. VERHEYDEN, "Onerkend is onbemind. Over de erkende vennootschappen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen" in VPG (ed.), De nieuwe vennootschapswet - VPG studiedag 2018, Mechelen, Kluwer, 2018, (141) 173-174. (terug)
366. Loi n° 47-1775 du 10 septembre 1947 portant statut de la coopération, URL : www.legifrance.gouv.fr/affichTexte.do?cidTexte=JORFTEXT000000684004. (terug)
367. Indien dit opportuun wordt geacht, kunnen ook de bestaande geldelijke erkenningsvoorwaarden worden behouden in een dergelijk systeem. (terug)
368. Zie bijvoorbeeld R. HOUBEN, "De CV voor professionele vennootschappen van vrije beroepen : C4 ?", TRV-RPS 2019, (449) 450; A. FRANÇOIS en M. VERHEYDEN, "Onerkend is onbemind. Over de erkende vennootschappen in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen" in VPG (ed.), De nieuwe vennootschapswet - VPG studiedag 2018, Mechelen, Kluwer, 2018, (141) 162 (voetnoot 98 in fine). (terug)
369. Deze signaalfunctie zou men ook kunnen realiseren door bepaalde coöperatieve beginselen dwingend in de wet in te schrijven (al dan niet met behoud van de CV als afzonderlijke rechtsvorm). Zie supra nr. 72. (terug)
370. Toch delen wij tevens de mening dat de invoering van het WVV het aangewezen moment lijkt voor veel CVBA's om hun corporate housekeeping grondig tegen het licht te houden; Cf. R. HOUBEN, "De CV voor professionele vennootschappen van vrije beroepen : C4 ?", TRV-RPS 2019, (449) 450. (terug)


© Roularta Media Group NV - This copy is licensed to 35175121230