Editoriaal : Wat zegt de wetgever als hij zwijgt ?

Rubriek Editoriaal
Auteur(s) Joeri Vananroye
Editie 20/1   p. 3-4
Publicatiedatum 15 februari 2020


Editoriaal (*) : Wat zegt de wetgever als hij zwijgt ?


Joeri Vananroye


1. Een wetgever die alle vennootschappen, stichtingen en verenigingen in één wetboek wil regelen kan vele "gemene" regels bedenken : voor alle rechtsvormen, voor alle rechtspersonen, voor alle vennootschappen, voor alle non-profits, voor alle verenigingen (ook die zonder rechtspersoonlijkheid), voor alle vormen zonder rechtspersoonlijkheid, voor alle vormen of alle vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ...

Het WVV zet vooral in op regels gemeen aan alle rechtspersonen (Boek 2). Er is ook een gemeen recht voor personenvennootschappen (al dan niet met rechtspersoonlijkheid) door de schakelbepaling van art. 4:23 WVV. Dit artikel maakt de bepalingen voor de maatschap van toepassing op de VOF en CommV, met uitzondering van die bepalingen die betrekking hebben op de onverdeelde maatschapsboedel. Naast gemene bepalingen in formele zin - die op één plaats staan maar voor meerdere rechtsvormen gelden - is er ook een gemeen recht in materiële zin. Dit verwijst naar regels die worden herhaald voor meerdere rechtsvormen. Zo zit er in boeken 5 (BV), 6 (CV) en 7 (NV) een gemeen recht voor vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. De regels inzake financieel plan en toereikend aanvangsvermogen vormen daarvan een voorbeeld.

Dit editoriaal houdt door de lens van gemene regels enkele keuzes van het WVV tegen het licht. Er is ook een praktische inzet de lege lata : als voor rechtsvorm X een expliciete regel ontbreekt (in gemene dan wel vormspecifieke bepalingen) die er wel staat bij een vorm Y, kan hieruit dan met zekerheid worden afgeleid dat deze regel van toepassing op vorm Y niet geldt voor vorm X ? Of omgekeerd : kan in vormspecifieke bepalingen soms een verborgen gemeen recht worden ontdekt dat ook geldt voor vormen waarvoor het niet expliciet is uitgevaardigd ?

2. Er worden geen tranen gelaten om het verdwijnen van Boek II W.Venn. met de "bepalingen gemeenschappelijk aan alle vennootschappen." Formeel was Boek II het gemeen recht van elke vennootschap. In de praktijk was het Boek II enkel het gemeen recht voor maatschap, VOF en CommV. De beperkte draagwijdte kreeg uitdrukking in art. 18 W.Venn. dat stelde dat Boek II enkel gold voor zover er expliciet of impliciet niet van werd afgeweken. Voor de NV, BVBA en CV betekende dit concreet dat dit "gemeen vennootschapsrecht" zelden relevant was. Boek II zette de lezer op het verkeerde been. Het gemeen personenvennootschapsrecht gecreëerd met art. 4:23 WVV reflecteert veel transparanter het toepassingsgebied van regels.

3. Het idee van een gemeen vennootschapsrecht is echter niet helemaal verlaten. Boek 1 WVV bevat hiervan een voorbeeld met de regels inzake inbreng (art. 1:8). De vraag is echter of daarmee het gemeen vennootschapsrecht is uitgeput.

De figuur van de croupier in art. 4:6, al. 2 WVV lijkt een voorbeeld van een bepaling die in Boek 4 misplaatst is. Formeel geldt deze regel enkel voor maatschap, VOF en CommV. Er is echter geen reden waarom een croupierverhouding niet mogelijk zou zijn in een BV, CV of NV. Geen a contrario-redenering, dus.

Zeker in de verhouding tussen Boeken 1 en 4 lijkt er niet al te cartesiaans te moeten worden gedacht over het belang van de plaats van een regel of verschillen in formulering. Zet bv. de algemene definitie van vennootschap in art. 1:1 WVV naast die van de maatschap in art. 4:1 WVV. Er zouden uit de tekstuele verschillen allerlei a contrario-redeneringen kunnen worden gehaald. In de vennootschap is uitkeren "één van de doelen", terwijl het in een maatschap hét oogmerk is ? Betekent de plaatsing van "[De vennootschap] wordt in het gemeenschappelijke belang van de partijen aangegaan" in Boek 4 dat deze regel niet geldt voor de andere vennootschapsvormen ? Wellicht wil niemand aan deze verschillen al te grote waarde hechten. Wat overigens de vraag doet rijzen wat de toegevoegde waarde is van de maatschapsdefinitie. Een veel eenvoudigere definitie ware geweest : "De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meerdere personen een vennootschap aangaan".

4. Boek 2 zorgt ervoor dat het onderscheid tussen organisaties met en zonder rechtspersoonlijkheid de summa divisio vormt in het WVV. Dat wordt nog versterkt door andere regels die enkel van toepassing zijn op rechtspersonen (bv. Boek 12 over herstructureringen en Boek 14 over omzetting).

Die keuze is minder vanzelfsprekend dan ze lijkt. Het WVV erkent voor het eerst in de wetgeving dat de maatschap een afgescheiden vermogen heeft, en daarmee dus niet langer louter een contract is. Het afgescheiden vermogen geeft de maatschap een belangrijk rechtspersoonskenmerk, waardoor deze vorm sterk lijkt op de VOF. Dit pleit ervoor dat méér regels voor rechtspersonen ook van toepassing zouden zijn op maatschappen. Art. 4:21 WVV dat voor de vereffening van de maatschap de kernregels van rechtspersonen calqueert, is daarvan een mooi voorbeeld.

Maar de wetgever had verder kunnen gaan. Waarom werd het IPR voor maatschappen niet geregeld op de leest van rechtspersonen ? Waarom geen nietigheidsregeling voor maatschappen met ex nunc-effect ? Waarom geen regels voor de omzetting of herstructurering van een maatschap ? Waarom geldt de 'cap' op bestuursaansprakelijkheid van art. 2:57 WVV niet voor de zaakvoerder van een maatschap (en wel voor die van een VOF) ? Voor deze bepalingen lijken a contrario-redeneringen onvermijdelijk, maar tegelijk ook onwenselijk.

In Boek XX van het WER werd een andere keuze gemaakt. Beperkte aansprakelijkheid noch rechtspersoonlijkheid vormt er een centraal aanknopingspunt. De faillissementsaansprakelijkheden (art. XX.225 e.v. WER) gelden voor alle organisaties, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, met uitzondering van de natuurlijke persoon. Ze zijn daarmee ook van toepassing op zaakvoerders van maatschappen. Dit lijkt ons een betere keuze.

5. Er zijn in het WVV geen expliciete gemene bepalingen voor organisaties zonder rechtspersoonlijkheid. Art. 1:6, § 1 WVV definieert de 'feitelijke vereniging', maar bevat geen regels. Een procedureel gemeen recht voor groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is er wel in het nieuwe art. 703, § 2 Ger.W., dat zowel voor vennootschappen als verenigingen het optreden in rechte regelt. Deze bepaling spreekt over de "gemeenschappelijke rechten en verplichtingen" van de groepering. Dat de uitwinning van de goederen wordt geregeld, indiceert dat ook in de feitelijke vereniging er een afgescheiden vermogen is met gemeenschappelijke rechten en verplichtingen naar gelijkenis met de regels in art. 4:13, 4:14 en 4:21 WVV voor de maatschap. Opnieuw : geen a contrario-redenering uit het stilzwijgen van de wetgever. Er is dus ook materieelrechtelijk een gemeen recht, al blijkt dit niet uit het WVV zelf. Er ware beter een artikel dat bepaalde maatschapsregels expliciet van toepassing maakt op de feitelijke vereniging. Dit zou het spiegelbeeld zijn van voornoemd art. 4.23 WVV, dat bepaalde maatschapsregels omwille van hun gerichtheid op de onverdeelde boedel uitsluit voor VOF en CommV.

6. De lens van gemene bepalingen biedt nog meer prikkelende mogelijkheden om d.m.v. een interne rechtsvergelijking binnen één wetboek de keuzes van de wetgever te evalueren : waarom wel voor deze rechtsvorm, en niet voor gene ?

Ex multis : waarom geldt de liquiditeitstest van de BV en CV niet voor uitkeringen in vennootschappen met kapitaal (NV en CommV)(1) ? De kapitaalregels bieden extra comfort rond het nettoactief, maar niet rond liquiditeit.

Interessant is dat het recente proefschrift van Lindemans overtuigend argumenteert dat de actio pauliana een gemeenrechtelijke liquiditeitstest omvat die op alle uitkeringsgerichte organisaties van toepassing is (Schuldeiser & rechtspersoon, Antwerpen, Intersentia, 2020, 252-254, nr. 312-313). Dat betekent dat er ook in de NV een liquiditeitstest geldt.

7. De praktische les is dat zelfs binnen één modern en grondig doordacht wetboek a contrario-redeneringen vaak een wankele basis hebben. Vormspecifieke bepalingen vormen soms de uitdrukking van een gemene regel, die impliciet ook voor andere rechtsvormen geldt, zelfs al staat dat niet met zoveel woorden in het WVV. Het stilzwijgen van de wetgever zegt soms gewoon niets.





Voetnoten:

* Persoonlijke stellingname van de auteur. (terug)
1. De CommV heeft geen minimumkapitaal, maar kent met art. 4:24 wel dwingende volstortingsregels en een rudimentair kapitaalbegrip als grens voor uitkeringen. (terug)


© Roularta Media Group NV - This copy is licensed to 35175121230